DIT WAS 2021: Mercelis :: ”Het verleden is het verleden”

De hele maand december blikt enola terug op het afgelopen jaar met de interviewreeks DIT WAS 2021. Daarin laten we artiesten aan het woord die het jaar maakten of wier plaat onterecht onopgemerkt de vergetelheid indook.

COVID heeft zijn best gedaan, maar zelfs zijn gekste bochten bleken uiteindelijk toch maar herhalingen van de vorige. Neen, wie dit jaar écht verraste was Mercelis, die zestien jaar na zijn laatste teken van leven dan toch eindelijk weer een plaat opnam. White Flemish Trash, heette die, en ze was alweer de moeite waard.

Het zit Jef Mercelis niet lekker, dat het over die lange wachttijd gaat. “Ik kreeg een wat deprimerend gevoel bij je recensie”, barst hij vroeg in ons gesprek uit. “Al dat gepraat over hoe lang het geleden was, en wat ik in tussentijd had gedaan, in plaats van het over de muziek te hebben. En zo gaat het bij alle reacties: (temerig) ‘het is toch lang geleden’. En bon, dat is misschien zo, maar nu is ze er. Ik heb daar hard aan gewerkt, ik ben er trots op, daar wil ik het over hebben. Ik begrijp dat je me na al die tijd voor je lezers moet situeren, maar er is een verschil tussen dat en er een item van maken.”

Geen item dus, maar toch voor de muziekliefhebbers die nu pas intunen en verdwaasd vragen ‘Wié?’, toch even samenvatten. Jef Mercelis haalde in 1992 als jonge songsmid op gitaar de finale van Humo’s Rock Rally, zag samen met een prille dEUS en Joost Zweegers (als The Sideburns) de zegepalm naar het vergeten Charlie 45 gaan en debuteerde vier jaar later met het straf groepsdebuut: The Hopes & Dreams Of A Drunk Punk. Het album flopte en het duurde tot 2005 voor Mercelis opnieuw het voetlicht opzocht met Western Union. We pikken de draad op, waar we hem in het gesprek van toen lieten liggen. “Nu zijn we begonnen”, zei hij op dat moment. Wat er dan fout is gelopen dat het deze keer maar liefst zestien jaar heeft geduurd? “Tja, het heeft zijn tijd genomen”, geeft hij toe. “Maar bon, in tussentijd heb ik wél van alles gedaan. Ik maakte nog altijd muziek voor dansvoorstellingen zoals ik ook voor Western Union al deed en ging spelen bij Noodzakelijk Kwaad, de band van dichter Jan Ducheyne. We hebben met hem een plaat gemaakt, en daarnaast was ik ook muzikant bij iH8 Camera en nog wat dingen.”

Het verleden is het verleden

“Jawel, het kriebelde natuurlijk om af en toe nieuwe songs te schrijven als Mercelis, maar ik vond geen goed geluid. Eigenlijk was ik na Western Union klaar om nieuw werk op te nemen, toen het fout liep met mijn gitarist en die uit de band stapte. Ik moest op zoek naar een nieuwe sound en dat had zijn tijd nodig. Zeker omdat die andere projecten ondertussen ook mijn aandacht vroegen. En dat was ok. Ik kon mijn ei daar best in kwijt, het is niet dat mijn ego opspeelde. Daarvoor ben ik een te onzekere mens.”

Er ligt dus best wel wat werk op de plank dat het afgelopen anderhalf decennium documenteert? “Toch een plaat of twee – drie, maar dat is natuurlijk passé. Al zijn er wel een paar nummers die ik opnieuw zou willen oprakelen. Ik heb nu eindelijk een fantastische groep, daar wil ik op voortbouwen. Verder? Het verleden (fluit) is het verleden. Ik ga niet zo dom zijn als zestien jaar geleden om te zeggen ‘nu gaat het gebeuren’. Je gaat me niet meer hebben.” (lacht)

“Eigenlijk was Western Union trouwens ook maar een opvulplaat. Eigenlijk had ik met iemand anders een album opgenomen (Als Zon & Zero, met Guy Van Nueten – mvs), maar die is nooit verschenen omdat we ruzie kregen. Ik wilde op dat moment echter wel iets uitbrengen en dus heb ik dan die tweede plaat gemaakt met Kris Dane als producer. Heel intiem, zonder gezeik, gewoon ik. Tof hoor, maar daarna wilde ik toch liever weer met mensen samen spelen. Dat daagt je immers uit, het haalt je uit je keurslijf. Zo ben ik ook van de akoestische gitaar uit mijn beginjaren losgekomen. Het maakt je rijker.”

Oceanen oproepen

En dus raakt Mercelis op de planken geen snaar meer aan. Gebogen over zijn Korg-synthesizer maakt hij spookachtige, noir klanken die ver van het Dylaneske wonen. “Ik ben er op gestoten tijdens die zoektocht naar Iets Anders en ben er verliefd op geworden”, zegt hij over die verschuiving. “Ik heb ook even geflirt met digitale dingen, maar dat wrong: je programmeert iets en met een druk op de knop roep je dat opnieuw op. Dit ‘ding’, die Korg, stamt uit 1978, je kunt daar niets op programmeren, het is een echt instrument. Je kunt er oneindig veel sferen mee oproepen, geluiden mee maken: je kunt er blokfluit op spelen, maar ook oceanen nadoen. Ik raak er niet op uitgekeken.”

“Natuurlijk zorgde dat voor een andere manier van creëren. Vroeger zou ik nooit op basis van een zin in mijn hoofd aan de keukentafel gaan zitten om een song te schrijven. Nu pen ik zo hele teksten neer voor ik aan de muziek begin. Vervolgens probeer ik er ritme in te krijgen, die brengt een melodie mee en daarmee ga ik aan de slag. Dat is geweldig boeiend. Ik zat wat vast in die oude manier van aanpakken.”

“Het is dat werk voor cinema en theater dat me daartoe heeft geleid. Een song is altijd belangrijk, maar wat ik heb geleerd, is dat ook de sfeer daarrond heel erg van tel is. Je moet een universum creëren. Als je een song hebt, kun je er alle kanten mee op. Dat heeft Rudy Trouvé me ooit gezegd: ‘je leven is een nummer, maar het arrangement ervan kun je altijd veranderen’. Het is wat je er mee doet – uptempo maken of net heel deprimerend – dat het resultaat bepaalt. Een liedje is niet meer dan de basis.”

De rol van de muzikanten rond hem is niet te onderschatten in dat proces. Patrick Clauwaert is niet zomaar een drummer, Teuk Henri niet je alledaagse gitarist. “Hij creëert sferen. Je voelt dat ook hij al veel voor film en podium heeft gewerkt. Soms zitten we samen te spelen en hoor ik niet eens wie wat doet: ‘ben ik dat of hij?’ De eerste keer dat we samenwerkten, is al lang geleden. Ik moest muziek maken voor een dansvoorstelling en hij sprong in als vervanger van iemand anders. Het klikte gigantisch. En toen ik later eens solo moest optreden, kwam hij toevallig langs. ‘Speel maar mee als je wil’, had ik gezegd. Hij had zich al achter me geïnstalleerd voor ik het wist. Hoorde ik (imiteert) ‘tèèèèngggg’ en hij was vertrokken. We hadden nooit samen gerepeteerd, maar hij heeft het hele optreden meegespeeld. Hij bracht een heel gamma geluiden naar mijn nummers mee.”

Misschien was dat ergens begin jaren 2000, toen Luc Van Acker in een interview Mercelis, Kris Dane en Sharko, de band waar Henri toen in speelde, op het oog had voor zijn voortijdig opgedoekte label Les Enfants Terribles. Maar, zo sprak hij: “Ze zijn er nog niet klaar voor. Een beetje zelfdestructief zijn ze. Ze doen iets goeds, en als je dan zegt: ‘fantastisch, hier gaan we voor’, dan doen ze morgen direct iets anders.”

Mercelis ontwijkt de vraag. “Ja, Luc. Hij had carte blanche gekregen van BMG om een eigen label op te richten, tot er een kerel uit Engeland in de kosten kwam snijden. Jammer, want het was een mooi project.”

Had hij gelijk met zijn inschatting? “Dat weet ik niet, want we hebben daar samen nooit lang genoeg voor samengewerkt. Hij wilde ons er nochtans bij, wij hadden ja gezegd, maar voor het kind was geboren … abortus. Maar het idee van dat label was goed: Belgisch, maar toch ondersteund door een major.”

Flemish Trash

We zijn twintig jaar verder en Teuk Henri is de gitarist van Mercelis en Kris Dane producete zijn vorige plaat. Is er daar sprake van een kleine Brusselse scene? Het antwoord is twijfelend. “Van onze generatie misschien … Daar is ook Individual Friends uit gegroeid. Een vriend van me was naar Australië verhuisd, maar elke keer dat hij terugkeerde, wilde hij wat optredens geven. Zo is dat begonnen. Als je dat een scene wil noemen … Ja, misschien wel een beetje. We kennen elkaar allemaal goed, het is een mooie kruisbestuiving.”

Waarmee we in Brussel zijn beland, al meer dan twintig jaar de woonplaats van de geboren Kempenzoon. Een overtuigde keuze. “Brussel is gewoon een fantastische stad, de enige internationale van ons land. Als ik in Vlaanderen kom – en niets tegen Antwerpen, Gent of Oostende – dan vind ik dat heel white flemish trash. (lachje) Als je lang in Brussel hebt gewoond, is zo’n blanke omgeving toch …” Hij maakt de zin niet af, herpakt zich. “Ik voel me toch beter in de hoofdstad. Ik kan hier gesprekken hebben in vier verschillende talen tegelijk, zalig. Maar Luik is ook zalig. En Charleroi begint ook te veranderen. Maar de enige plek waar alles samenkomt – alle culturen, rassen en noem maar op – is Brussel.”

Joost Vandecasteele, nog zo’n aan de hoofdstad verknochte Vlaming, merkte onlangs op dat je als Vlaming in de hoofdstad altijd wat in de positie van verdediger wordt gedrukt. Mercelis begrijpt het even niet, denkt na. “Tegenover andere Vlamingen? Ik ben daar mee gestopt. ‘Get out’, denk ik dan maar. Het klopt hoor, veel mensen hebben schrik van Brussel. En het mag dan een fantastische stad zijn, c’est aussi le bordel. En dat jaagt mensen angst aan, want Vlaanderen is veel properder. Wat moet een mens daar op zeggen? Ieder zijn keuze.”

Waar de titel “White Flemish Trash” dan vandaan komt? “Dat nummer gaat over de malaise die ik voel in Vlaanderen. Al die mensen die hun groot gelijk hebben en niet openstaan voor iets anders. Daar kreeg ik het beeld bij van een gekruisigde Jezus die de waarheid verkondigt vanuit zijn luie zetel, terwijl hij zapt van Eén naar VTM en terug. Dat zelfgenoegzame van ‘wij hebben het hier toch maar goed’. En toen Teuk ooit die jeugdfoto van me zag, riep hij uit: ‘ha, we hebben een coverfoto en de titel: white flemish trash’. Voilà.” (lachje)

Open vizier

Tel daar een nijdige song bij als “No Future” met zijn “They give the people what the people don’t need / And they make ‘em pay for it”, en je krijgt het gevoel dat White Flemish Trash een geëngageerde plaat is geworden? Mercelis blijft er even stil bij. Na wat nadenken, komt dan toch aarzelend “Ja.” En hij legt uit. “Het is in elk geval minder introvert gedoe dan vroeger. Daardoor klinkt het waarschijnlijk allemaal ook wat steviger, doordat ik vanuit die ergernissen speel. Op een bepaald moment was ik zo geïrriteerd door alles wat in de wereld gebeurde, dat het vanzelf naar buiten begon te komen. Het begint met een paar zinnen en daarop bouw ik verder. Tegenwoordig blijkt dan dat ik meer met open vizier over dingen schrijf, dan over mijn eigen wereld.”

Vijfentwintig jaar geleden, in zijn eerste Humo-interview, zei hij nochtans over maatschappijkritische teksten dat een mens eerst zijn leven in orde moet hebben voor hij daar aan toe is. Alles dus peis en vree in het leven van Jef Mercelis? Hij is aangekomen? Het antwoord volgt sarcastisch. “Ja, fantastisch.”

Hij herpakt zich. “Neen, ik ben een gelukkig mens, maar of ik mijn leven op orde heb, dat weet ik niet. Maar ik werk er elke dag aan – vooruit met die geit.”

Mercelis speelt op 9 december in de Charlatan in Gent.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

12 + een =