keun :: “Folk is écht wel oké”

Enkele weken geleden verscheen hi nice bye van keun, een debuut-ep die even warm en zacht klinkt als een zachte omhelzing. 

Nu ja, niet dat er van echte nabijheid sprake is dezer dagen. Als de titel hi nice bye een samenvatting van een vluchtige ontmoeting kan zijn, dan past hij wonderwel bij dit interview dat net als in een niet zo ver verleden weer via het knullige Zoom dient te worden afgenomen. Gelukkig toonde Bert Aernouts zich een warme en gulle gesprekspartner wanneer we hem onze vragen voorlegden. Zoals dat gaat bij een eerste ontmoeting, beginnen we bij het begin: de naam.

enola: Vanwaar komt de bandnaam keun?

Aernouts: “Ik heb altijd al een fascinatie gehad voor dialectwoorden en ‘keun’ is West-Vlaams voor konijn. Ik vond het ook best grappig om voor een Engelstalig project een irritant dialectwoord te kiezen met klanken die voor een Engelstalige moeilijk uit te spreken zijn. Dat klinkt sadistischer dan het is (lacht). Mijn grootvader en vriendin zijn beide West-Vlaams, maar verder reikt mijn West-Vlaams-zijn niet. Achteraf zag ik ook een link met een van mijn favoriete bands, Frightened Rabbit. Zo gaat het uiteindelijk vaak – ook bij liedteksten – dat je pas achteraf een diepere laag ontdekt die er misschien onbewust in zat.”

enola: Hoe ben je de folk ingerold? Is je dat met de paplepel ingegeven of heb je dat zelf ontdekt?

Aernouts: “Niet met de paplepel neen, hoewel het eerste festival waar ik naartoe ging Dranouter was, toen het nog echt een folkfestival was. De fascinatie voor folk heeft er wel altijd al ingezeten. Als puber heb ik dat dan lang verdrukt, alsof folk iets voor oude geitenwollen sokken was. Ik heb het heel lang geassocieerd met een man die ik op Dranouter zag dansen – op de muziek van Kadril geloof ik – in bloot bovenlijf met een soort tapijt rond zijn middel, en een cowboyhoed met luipaardmotief op zijn hoofd. Dat is het beeld dat heel lang in mijn hoofd is blijven hangen over wat folk met mensen doet.”

“Ook in mijn andere projecten, die zich in andere stijlen situeren, krijg ik vaak te horen dat er folkinvloeden in zitten. Wanneer ik achteloos een gitaar oppik en begin te spelen, komen er vaak spontaan een soort indiefolkdeuntjes uit terwijl dat niet per se was wat ik wil maken op dat moment.”

“Ik heb wel altijd veel naar indiefolk geluisterd – en nu nog trouwens – maar ik wist het toch niet goed. Een huisgenoot, een gigantische folkfanaat, zei me dat ik daar niet raar over moest doen, dat folk gewoon écht goed is. Via hem heb ik nog andere folkdingen leren kennen – ook Vlaamse bands. De paar folknummers die ik al enkele jaren had liggen, maar niet durfde afwerken, heb ik dan toch een kans gegeven om iets op zichzelf te laten zijn, ook al omdat het muziek was die niet echt bij mijn andere projecten paste.”

enola: Welke andere projecten zijn dat?

Aernouts: “Ik maak ook muziek voor het theater. Dat is voor mij een excuus om alle instrumenten die ik heb eens écht te gebruiken. Daarnaast maak ik postrock met Tarbat – of postrock-light, laat ik het zo zeggen (lacht). Ten slotte is er nog ‘Koebeest’, Nederlandstalige indie. Dat laatste neigt wat meer naar mathrock, wat dan weer grappig is, omdat Nederlandstalige mathrock vréémd is. Het zou fijn zijn als het lukt.”

enola: Heb je lang aan de ep gewerkt?

Aernouts: “Op een jaartje was het opgenomen, maar sommige zaken zaten al lang als idee in mijn hoofd of als stukken op mijn gsm. Zo was “Tangible” het eerste nummer dat ik volledig heb uitgewerkt, maar dat riedeltje speelde ik altijd wanneer ik een nieuwe gitaar ging kopen en wilde testen of de gitaar goed klonk. De titeltrack was dan weer het snelst in elkaar gestoken. Normaal zou er eerst nog een ander nummer met tekst op de ep komen, maar ik wilde iets instrumentaals om het geheel af te maken en had deze zomer een nogal weemoedig akkoordenschema ingespeeld dat ik wel tof klinken vond. Daar heb ik snel een melodie voor bedacht en Nick, de violist die ook live meespeelt, in mijn living voor de micro’s gepositioneerd en beginnen opnemen. Op een paar dagen was het ingeblikt en gemasterd.”

enola: De opnames waren in je huis, hoe heb je dat weidse geluid erin gekregen?

Aernouts: “Dat zal er deels onbewust ingeslopen zijn. Ik ben een hele grote fan van Sigur Rós en van de manier waarop zij aan sfeerschepping doen. Sommige van de synthjes die je in het begin of op het einde van nummers hoort, heb ik van hen ‘ontleend’. Ik vind het tof als er meer atmosfeer rond hangt en dat is ook een link met de theatermuziek die ik maak. Ook daar moet je de atmosfeer een muzikaal bedje meegeven.”

enola: Heb je naast Sigur Rós nog andere invloeden? 

Aernouts: “Ik ben sinds twee jaar ongeveer grote fan geworden van Bibio, een Engelsman die erin slaagt om heel folky nummers te maken met instrumenten die heel lofi maar tegelijk heel helder klinken. Alsof de gitaar uit een mini-speakertje komt en toch heel zuiver is. Wat ik dan weer zo leuk vindt aan Neutral Milk Hotel, nog zo’n invloed, is hoe de gitaar bij die groep vaak volledig kapot klinkt. De eerste keer dat ik dat hoorde dacht ik ‘jááá, dit is wat ik wil in het leven’ (lacht).”

“Johnny Flynn is nog zo een naam die me de indiefolk heeft ingetrokken. Begin jaren 2000 kwam hij samen op met Laura Marling, Noah and the Whale en Mumford and Sons. in het begin was hij de populairste, maar iedereen heeft hem uiteindelijk ingehaald en nu maakt hij nog gewoon zijn muziek zonder specifieke ambitie.
Ierse folkbands als Ye Vagabonds en Lankum spelen beide de echte Ierse traditionals, maar dan in een ander jasje gegoten. Vooral Lankum is daar goed in. Dat is haast folk en postrock tegelijk en ik vind het fantastisch. De viool wordt door effecten gejaagd en een octaaf lager gestemd, het harmonium wordt ook gemanipuleerd en er zitten vele vreemde geluiden in. Ze hebben mij vooral doen beseffen dat folk écht wel ok is en ze tonen aan dat er echt heel coole dingen in het genre gebeuren. Ook in Vlaanderen is het terug meer aan het opkomen, bijvoorbeeld met Meskerem Mees, maar ik heb het gevoel dat er ook nog anderen op komst zijn.”

enola: Máire is de Ierse vertaling van Maria: heeft dat een diepere betekenis of is het een kwinkslag naar de Ierse folk?

Aernouts: “Ik wilde het nummer niet gewoon “Maria” noemen, want dat leek me te obvious. Het is geschreven vanuit het standpunt van mijn grootvader toen zijn vrouw, mijn grootmoeder dus, aan het sterven was. Ik vond het wel fijn om haar naam eraan te verbinden, maar het mocht niet té duidelijk worden, dus ben ik op zoek gegaan naar een geschikte vertaling. “Mary” viel af wegens en de Ierse versie moet je ook bijna uitspreken als ‘moira’ en dat voelde wel goed aan, ook omdat het goed past bij de muziek. Misschien dat ik het me binnen twee jaar beklaag, maar nu ben ik er best tevreden mee.”

enola: Denk je hard na over de volgorde van de nummers?

Aernouts: “In tegenstelling tot vroeger wel. Nu wilde ik echt dat het geheel een verhaal vertelde en ben ik bij veel vrienden, waarvan sommigen muziekproductie studeren, feedback gaan vragen. “Wind” vond ik een mooi einde. Het klinkt meer lofi, omdat ik het op een cassette-fourtrack heb opgenomen en het zonder het te beseffen per ongeluk aan het oversturen was. Het voelde aan als nog een laatste keer alles kapot te doen. Mocht “Máire” het laatste nummer zijn geweest, dan zou het een achterafje geleken hebben en dat was totaal niet de bedoeling.”

enola: Veel teksten gaan over afscheid en ontmoetingen. Ook de titel hi nice bye kan een laconieke begroeting zijn om zo snel mogelijk van een gesprekspartner verlost te zijn, maar het is tegelijk de essentie van een goed gesprek.

Aernouts: “Ik vond de titel net goed omwille van die verschillende ladingen: kort, ongemakkelijk of oprecht, het zit er alle drie in. Het zijn de stadia van een ontmoeting. Ik ga nooit weloverwogen zitten om over een specifiek thema te schrijven. Ik begin gewoon te zingen en merk op de duur waar ik naartoe ga. Vaak kwamen er dan dingen uit mijn eigen leven bovendrijven, en afscheid hoort daar dan bij, ja. Dat viel allemaal mooi op zijn plek. Een betere marketeer dan ik zou zeggen dat het in de tijdsgeest van corona past omdat je elkaar niet zo veel meer ziet en ‘dag’ moet zeggen tegen iedereen, maar dat was dus totaal niet het plan (lacht).”

“Een van mijn huisgenoten zei me dat ik gewoon weer sad boy folk aan het maken was. Ja, hij had gelijk, maar ik ga het niet zo noemen (lacht). Ik neig wel vaker naar het melancholische, maar ik denk dat er overal nog wel genoeg hoop in zit. Dat probeer ik er in elk geval steeds in te steken. “Og Svo” is redelijk deprimerend, maar het instrumentaal deel halverwege vind ik heel uplifting en dat vind ik interessant. Dat is hoe mensen zich vaak voelen volgens mij, dat je van een dal naar een piek gaat en weer terug.”

enola: De hoes straalt inderdaad een zomerse bries en zorgeloosheid uit. Zocht je ook daar het contrast?

Aernouts: “Lisa van der Auwera, die het artwork maakte, voelde een soort nazomer doorheen de muziek schemeren en toen ik de clip voor de eerste single “Cucumber” aan het maken was, kwam ik die caravan tegen, niet ver van waar ik woon. Ik had er wat knullige beeldjes van gemaakt en Lisa vond het beeld tof en ging ermee aan de slag. Mocht de hoes donkerder geweest zijn, dan zou iedereen de muziek ook zo interpreteren, terwijl sommige mensen het nu eerder positief interpreteren, net dankzij dat beeld. Dat vind ik belangrijk, want hoe donker de teksten ook mogen zijn, uiteindelijk is het allemaal ok, weet je wel?”

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

acht + 13 =