Max Horkheimer & Theodor Adorno :: Dialectiek van de Verlichting

In de jaren veertig van de vorige eeuw maakte de fenomenologie als filosofische stroming in grote mate opgang. Dat gebeurde in het bijzonder in Frankrijk, dat na Duitsland de fakkel als zwaartepunt van de continentale filosofie overnam. In diezelfde periode publiceerden De Joods-Duitse Max Horkheimer (1895-1973) en Theodor Adorno (1903-1969) de essaybundel Philosophische Fragmente (1944), die onder de latere titel Dialektik der Aufklärung. Philosophische Fragmente een standaardwerk binnen de Kritische theorie zou worden.

De Kritische theorie blijft als filosofische stroming onlosmakelijk verbonden met de Frankfurter Schule, een verwijzing naar de universiteit van Frankfurt en het Institut für Sozialforschung, dat onder de leiding van Max Horkheimer vanaf 1931 haar befaamde visie ontwikkelde. Haar voornaamste tegenstander was evenwel niet de opkomende fenomenologie zoals ze ontwikkeld werd door Martin Heidegger (1889-1976), maar wel het logisch positivisme. Die laatste stroming ontstond in de jaren twintig in Wenen en was sterk beïnvloed door filosoof-wetenschapper Ernst Mach (1838-1916). De denkstroming, die vooral verbonden bleef met de Wiener Kreis, legde een belangrijke nadruk op empirisch waarneembare feiten en logische, wiskundige uitspraken.

Voor Horkheimer en Adorno is die focus meer dan een brug te ver. Sterk beïnvloed door onder meer de psychoanalyse en het (neo-)marxisme ontwikkelden ze hun maatschappijkritische theorie(ën), waarbij in het bijzonder de Verlichting onder vuur kwam te liggen. Voor Adorno en Horkheimer was het ideaal van de Verlichting zichzelf voorbijgeschoten en was het uitgemond in een vorm van totalitarisme en onderdrukking. De nadruk op wetenschap en rationaliteit leidt volgens hen tot een vorm van technocratie die uitmondt in enerzijds een nieuwe knechting van het individu en anderzijds tot een nieuwe vorm van mythologisering en bijgeloof, waarbij die laatste net als het positivisme zichzelf paradoxaal tot doel had gesteld de mens net te bevrijden.

In die optiek is het niet vreemd dat in het eerste essay uit Dialectiek van de Verlichting, “Het begrip Verlichting”, al meteen naar mythologie wordt verwezen. Het essay zelf zet de basisideeën van het werk uiteen, waarbij de auteurs vertrekken vanuit de mythologie en haar plaats binnen de maatschappij om van daaruit de overgang naar het positivisme te schetsen dat volgens hen nog meer dan de mythologie een totalitair karakter in zich draagt. In een poging zichzelf te bevrijden, ketent de mens zich telkens opnieuw. Mythologie en Verlichting zijn in hetzelfde bedje ziek; de belofte die ze in zich dragen, wordt nooit waar gemaakt. De grondgedachten uit dit essay worden verder onderbouwd in het eerste zogenaamde excurs die het boek in belangrijke mate zijn faam gegeven heeft: “Excurs I. Odysseus ofwel mythe en Verlichting”

Het excurs gaat dieper in op de band tussen mythe en Verlichting door Homeros’ Odyssee als uitgangspunt en als vergelijkingsmateriaal te nemen. Zelfs wie zich niet kan vinden in de basisprincipes van Horkheimer en Adorno’s theorie kan niet ontkennen dat beide auteurs hier met kennis van zaken spreken en hun standpunt weten te verdedigen, zelfs al is hun lezing sterk gekleurd. Het tweede excurs, “Excurs I. Juliette ofwel Verlichting en moraal”, plaatst daarna Immanuel Kants visie tegenover die van markies D.A.F. De Sade, in het bijzonder zoals die uiteengezet is in de roman L’Histoire de Juliette, ou les Prospérités du vice (ook gekend als Juliette) en Friedrich Nietzsche. De uitgangspunten zijn hetzelfde als in het eerste excurs en lezen daardoor ook als een vorm van herhaling, een euvel waar het hele boek aan lijdt.

Hoewel Adorno en Horkheimer hun naam onder de bundel zetten, wordt overigens algemeen aanvaard dat beide auteurs een excurs voor zich namen. Dialectiek van de Verlichting dankt zijn faam overigens niet enkel aan het befaamde “Excurs I”, maar ook aan het tweede essay met de veelzeggende titel “Cultuurindustrie. Verlichting als massabedrog”. In dat stuk trekken beide auteurs hard van leer tegen zowat alle vorm van entertainment en populaire cultuur. Niet alleen menen ze dat deze uitingen artistiek weinig tot geen meerwaarde bieden, maar ook dat het verworden is tot een marktproduct waarbij het een ‘economische waarde’ heeft, een visie die voortbouwt op Karl Marx’ warenfetisjisme. Het mag bijgevolg geen wonder heten dat ook in dit stuk vergelijkingen met de totalitaire maatschappij worden gemaakt. Adorno en Horkheimer trekken de verbanden zelfs door met nazi-Duitsland en Hitler in het bijzonder, waarbij de cultuurindustrie in de VS een gelijkaardig dociel denken en leven zou hebben voortgebracht als het fascisme in Europa.

De reflectie op het fascisme wordt voornamelijk begrepen vanuit een Verlichtingskritiek, waarbij het niet in tegenspraak ermee is, maar net een logisch uitvloeisel ervan. Dit wordt nogmaals onderstreept in “Elementen van het antisemitisme. Grenzen van de Verlichting”, dat opnieuw de aandacht richt op thema’s als macht en controle, kapitalisme en civilisatie. Het afsluitende luik “Aantekeningen en ontwerpen” past de theoretische mal een laatste maal toe op een veelvoud van onderwerpen. De belangrijkste kritiek die dan ook kan worden gegeven op Dialectiek van de Verlichting is dat Adorno en Horkheimer hun visie op tal van onderwerpen loslaten, maar daarbij vooral terugvallen op een aantal premissen om hun stellingen te staven.

De ondertitel (en oorspronkelijke titel) van het boek Filosofische fragmenten hint hier weliswaar al op, maar het blijft jammer dat de heren weinig moeite doen om hun ideeën echt te onderbouwen. Beïnvloed door onder meer Marx en Sigmund Freud vertrekken Horkheimer en Adorno vanuit een kader waarmee ze de hele wereld beschouwen en analyseren. Hoewel ze de belangrijkste stellingen en inzichten van deze denkers op een intrigerende manier met elkaar verzoenen, blijft hun uitwerking finaal beperkend en zonder meer gelaten. Het meest teleurstellende aan dit boek, en hun latere werken, is dat het nooit tot een (aanzet tot) alternatief komt. Dialectiek van de Verlichting is daardoor bovenal een pessimistisch boek, een cultuurfilosofische reflectie die scherp is in haar kritiek, maar er zich ook moedeloos bij neerlegt. Vanuit historisch-filosofisch oogpunt heeft het zijn merites, maar als kritisch werk weet het zijn intrigerende aannames te weinig te onderbouwen om echt waardevol te zijn.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zeventien + 15 =