Willem Elsschot :: Verzameld werk

Met iets meer dan zevenhonderdvijftig pagina’s kan Willem Elsschots’ Verzameld Werk nauwelijks een mastodont genoemd worden. Maar de beknoptheid van zijn oeuvre is niet de reden waarom zijn romans bijna honderd jaar na hun verschijnen nog steeds een ruim publiek aanspreken. Die reden is veeleer te zoeken in een tijdloze universaliteit en herkenbaarheid die uit zijn romans en beperkte aantal gedichten spreekt.

In de artikelenreeks “Schrijvers die nog maar namen lijken” bogen verschillende redacteurs van het Nederlandstalig kunsttijdschrift Ons Erfdeel zich over het verzameld werk van ooit roemrijke Nederlandse en Vlaamse auteurs. De vraag die gesteld werd, was in hoeverre het oeuvre de tand des tijds doorstaan had dan wel of op een enkele roman na het merendeel niet terecht in de vergetelheid van de geschiedenis zou wegzinken. De conclusies waren uiteraard verschillend naargelang de schrijver, maar wie -op een enkele literatuurwetenschapper of erg gedreven lezer na- waagt zich nog aan meerdere delen en duizenden pagina’s in de hoop een auteur echt te doorgronden? Op dat vlak heeft Willem Elsschot, het schrijverspseudoniem van Alfons De Ridder (1882-1960), al een eerste belangrijk streepje voor.

Maar zelfs een beperkt nalatenschap haalt het niet als wat overgeleverd is, de moeite van het lezen niet waard is. En hoewel Elsschot vooral bekend is en blijft vanwege de werken Kaas (1933) en Lijmen/Het been (1923/1938) vinden ook zijn andere romans nog vlot de weg naar lezers. Naast de voornoemde sterkhouders behoren immers ook zijn debuut Villa des Roses (1910), de tweede dubbelroman Tsjip/De Leeuwentemmer (1934/1940) en Het Dwaallicht(1943) tot het publieke geheugen. Dat Elsschots romans decennia tot een eeuw na hun verschijnen nog steeds nieuwe lezers weten te vinden, heeft dan ook in niet onbelangrijke mate te maken met zijn stijl die tot de zogenaamde nieuwe zakelijkheid gerekend wordt.

De artistieke stijl die zich vooral tijdens het interbellum ontplooide, vond in de Nederlandstalige literatuur zijn vertaling in werken van onder andere Ferdinand Bordewijk en Gerard Walschap. Toch blijven deze beide auteurs ondanks gedeelde stijlkenmerken achter op Elsschot, wat de waardering van hun gehele oeuvre betreft. Dat Bordewijk doorheen zijn carrière meerdere stijlen omarmde en vooral wist te schitteren in Karakter (1938) en de drie novelles Blokken (1931), Knorrende beesten (1933) en Bint (1934), die vaak gebundeld worden, onderscheidt hem van Elsschot, net zoals Walschap die vooral herinnerd wordt om Houtekiet (1939). Voor beide auteurs geldt bovendien dat ze een indrukwekkend oeuvre nalieten dat niet meteen uitnodigt tot een diepgaandere verkenning.

Het unieke van Elsschot ligt misschien nog wel het meest in de consistentie die zijn werk en stijl kenmerkt. De vaak Vlaamse (en gedateerde) woordenschat geven de romans een couleur locale en ‘echtheid’ die uitstekend past bij de thema’ s die hij in zijn werk naar voor laat komen. Vanaf Lijmen is er zo de figuur Frans Laarmans, die als een alter ego voor Elsschot in totaal in niet minder dan zeven romans zal opduiken. Laarmans geldt als een typische Vlaming die weliswaar droomt van roem en succes maar finaal toch niet meer is dan een braaf burgermannetje die zich vooral wenst te plooien naar de veiligheid en het comfort van het dagelijkse leven. In het bijzonder in Lijmen/Het Been en Kaas wordt die transformatie (opklimmen en val) treffend in beeld gebracht.

Diezelfde droom en hoop wordt op een meer metafysische manier in beeld gebracht in Het dwaallicht (1946) wanneer Frans Laarmans besluit drie Afghaanse zeelui te helpen een vrouw terug te vinden die op hen overdag zo een indruk maakte. In allerbeste Elsschotstijl draait ook dit verhaal op een fiasco uit. Eigenlijk komt enkel in Het pensioen (1937) Laarmans er nog min of meer ongeschonden uit terwijl hij vanop de zijlijn monkelend toekijkt hoe zijn schoonfamilie er alles voor over heeft om een militair pensioen dat jarenlang onterecht werd uitgekeerd binnen de familie te houden in plaats van het terug te geven aan de juiste begunstigde (de buitenechtelijke zoon van een overleden familielid). Elsschot zelf stelde dat het boek ging over de enggeestigheid van een groep mensen, verstrikt in een belachelijk en lelijk spel van bekrompenheid en egoïsme. Hoewel het vermoedelijk een van Elsschots meer persoonlijke verhalen is, is het nergens even (duidelijk) autobiografisch als Tsjip/De leeuwentemmer en Villa des Roses.

Die laatste, Elschots debuutroman, is een wat vreemde eend in de bijt doordat het verschillende hoofdpersonages heeft en beschrijft hoe in een Frans pension een naïeve meid zich laat verleiden door een van de pensiongasten, die haar, zodra hij te weten komt dat ze zwanger is, in de steek laat. De auteur erkende zelf dat hij symbool stond voor die onbezonnen jongeman en dat ook hij een jonge vrouw bezwangerd had en in de steek gelaten. In Tsjip/De leeuwentemmer verhaalt Elsschot dan weer de romance van een van zijn dochters met een Pool, de geboorte van zijn eerste kleinzoon en hoe het huwelijk erna op de klippen loopt inclusief de (wanhopige) pogingen van beide families om de (klein)zoon in het eigen land te houden en op te voeden. De twee novelles verschijnen relatief laat in Elschots carrière en verraden al de meer melancholische en introverte vertelstijl die ook Het dwaallicht zo treffend maakt.

De enige novelle uit deze periode die er wat plompverloren bijligt, is Het Tankschip, een roman waar Elsschot twee jaar mee worstelde en ondanks allerlei plannen om er een vervolg op te schrijven, nooit toe kwam. Samen met Villa des Roses vormt het de echte buitenbeentjes, in wat een consistent oeuvre mag genoemd worden. De latere Elsschot komt immers al duidelijk tevoorschijn in Een ontgoocheling (1914) en De Verlossing (1921). Beide romans kenmerken zich echter ook door een noodlottigheid en gelatenheid die een invloed van het toen al tanende naturalisme verraadt. De hoofdpersonages in beide verhalen zien hun dromen en ambities stuklopen maar de zekerheid en geborgenheid die bijvoorbeeld Frans Laarmans later zal vinden in zijn burgerlijke bestaan, is voor hen nog niet weggelegd.

Eenzelfde grimmigheid is ook in verschillende van Elsschots gedichten terug te vinden waaronder het bekende “Het Huwelijk of “De bult spreekt”. In deze periode (circa 1910) schrijft Elsschot ook de beklemmende gedichten over zijn stervende moeder en zijn jonggestorven nichtje. Pas na 1930 zou hij nog een laatste handvol gedichten schrijven, die niet hoeven onder te doen voor de eerste reeks. In deze periode schreef hij meer ‘politieke’ gedichten die vaak vanuit een verontwaardiging ontstonden maar niet altijd in goede aarde vielen. In het bijzonder het gedicht “Borms”, over de ter dood veroordeling van de oude Vlaams-nationalist en collaborateur August Borms werd hem kwalijk genomen. Wars van ideologische overtuigingen weerklinkt ook in deze latere gedichten echter de stem van Elsschot als een uniek auteur.

Dat Willen Elsschot zestig jaar na zijn dood, en ruim honderd jaar na zijn debuut, nog steeds een schrijver het (her)ontdekken waard is, is indrukwekkend. Meer nog, doordat in zijn bescheiden oeuvre geen valse noot te vinden is. Misschien ligt het aan zijn zakelijke stijl, de manier waarop hij de alledaagsheid vorm geeft of zijn unieke, onderliggende gevoel voor humor, en naar alle waarschijnlijkheid aan al die elementen en meer, dat Willem Elsschots Verzameld Werk met recht en rede herdruk na herdruk kent.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

13 − vijf =