Ken Vandermark :: Twee internationale trio’s

Het is vermoedelijk geen toeval dat de releases waarop je Ken Vandermark dezer dagen hoort net iets kleinschaliger zijn dan sommige van zijn projecten uit het verleden. Daarom zijn ze natuurlijk niet minder boeiend, zoals deze ongewone en internationale trioreleases aantonen.

Róbert Benkő, István Grencsó, Ken Vandermark – Burning River, Melting Sea (Audiographic Records: Systems vs. Artefacts, 2021)

De samenwerking met de Hongaarse rietblazer István Grencsó gaat al enkele jaren terug, van toen Vandermark zich bij diens kwintet voegde, wat het onder de radar gebleven Do Not Slam The Door! opleverde. Het was de start van een samenwerking die een vervolg moest krijgen. Niet enkel omdat er een goede persoonlijke connectie was, maar ook een artistieke. Vandermark was terug in het begin van 2020 voor een aantal concerten (het zouden zowat zijn laatste voor een hele tijd worden) en de tijd werd ook gebruikt voor opnames waarvoor nieuw materiaal werd geschreven, maar ook een korte geïmproviseerde livesessie in de studio met bassist Róbert Benkő.

De wederzijdse empathie en verwantschap spat alleszins van deze opnames. Het voelt als een ontmoeting van gelijken die slechts een aanzet nodig hebben om op dezelfde golflengte te zitten. Vandermark heeft die bvb. ook met Joe McPhee of Ab Baars, maar het lijkt wel alsof hij qua sound en ideeën een soort tweelingbroer vond in de Hongaar, omdat de twee soms amper van elkaar te onderscheiden vallen (dat de info dat de ene in het rechterkanaal zit en de andere in het linkerkanaal niet altijd klopt, maakt het ook wat complexer). Maar dat hoeft geen probleem te zijn, want zelfs in de meest vrije passages zorgt het voor een sterke focus.

Met z’n veertien tracks had Burning River, Melting Sea dan ook een beproeving kunnen zijn, maar het verliep anders. De vrije en gecomponeerde stukken zijn even baldadig als gedisciplineerd, soms verrassend speels, zoals het spelletje over toonladders racen van “Engarian Hunglish” – en dan weer turbulent, zoals met de schreeuwerige klarinetten in “Extracted Color” en “Letters In Any Order”. En als er hier en daar al geneigd wordt naar een beheerste kamermuziekachtige insteek, zoals in “Woven Paper”, dan wordt net zo gretig in duistere hoeken gedoken. “Like A Jaguar Loves Its Spots” is een sterke oefening in dierlijke dreiging én wispelturigheid.

Buitenbeentje: hun versie van “Ode To Women” van György Szabados (1939-2011), een pionier van de Hongaarse freejazz, waar zowel Benkő als Grencsó nog mee speelden.  Basklarinet en tenorsax beheerst verstrengeld in een statig eerbetoon. Benkő van zijn kant is in zes stukken een goeie sparringpartner voor de twee rietblazers: soms assertief, een gewillige participant in een stevig partijtje worstelen, maar net zo vaak een subtiele kracht op de achtergrond, in stukken waarin hij met de strijkstok genereus kleur toevoegt. Het maakt van Burning River, Melting Sea een rijk, genuanceerd album voor fijnproevers en alweer een mooie illustratie dat de man van Chicago een duurzaam web van Europese connecties uitgebouwd heeft waar voorlopig nog geen sleet op zit.

Het album verscheen in de ‘Systems vs. Artefacts’-reeks van digitale releases op Vandermarks Audiographic Records.

Jaap Blonk, Lou Mallozzi & Ken Vandermark – S/t (Kontrans, 2021)

Het is eigenlijk niet zo verwonderlijk dat stemkunstenaar, dichter en taalontmantelaar Jaap Blonk een stevige verhouding heeft opgebouwd met heel wat goed volk uit de werelden van vrije jazz en improvisatie. Niet zo lang geleden verschenen er wat releases die dat mooi illustreerden, terwijl ook een recent concert met Terrie Ex ons eraan herinnerde dat de vrijheid en inventiviteit van Blonk een uitdaging is, ook in een spontaan contact. Ook voor Vandermark is Blonk een bron van inspiratie, eentje die hem verder dan ooit wegtrekt van de conventies van jazz en geïmproviseerde muziek. Het was dan ook onvermijdelijk dat ze nog eens bij elkaar zouden belanden. Het gebeurt nu op het achtste deel van Blonks ‘Improvisors’-reeks op zijn label Kontrans.

Deze release, in 2019 live opgenomen in Chicago met derde man Lou Mallozzi, zal zelfs getrainde oren op de proef stellen door z’n radicale onvoorspelbaarheid, brute contrasten en compleet kierewiet samengaan van geluiden. Vandermark hanteert klarinet, basklarinet, tenor- en baritonsax, Mallozzi is in de weer met platendraaiers, cd’s, ‘mixer’, microfoons en orgelpijpen, en Blonk doet het met stem en elektronica. De goede verstaander beseft snel dat het aantal mogelijkheden schier onbeperkt is, want vanaf “Izzmm Akoolll” beland je in een wereld van machinaal gestuiter, lawaaierig geknisper van achterwaartse samples, schrille noise, rondtollende pannen, tikkende klokken, gedruppel en het gefezel en geprot van een uit de hand gelopen hoorspel.

Blonk aan het werk horen, dat heeft – met alle respect – soms iets van de willekeurige gekte van een savant die plots een hoop speeltjes in handen geduwd krijgt. Hij voelt en frutselt, maakt scheetgeluiden, murmelt in zichzelf, schiet in een Tourettekramp, lijkt zich niet bewust van het feit dat hij geobserveerd wordt en laat die tong dus maar rondjes draaien. Met Vandermark en Mallozzi erbij wordt het een wirwar van ideeën die soms zonder enige overweging op elkaar gestapeld worden, maar ook verwikkeld geraken in maffe spiegeleffecten, van de pot gerukte echo’s, verkapte cut & paste-technieken en een grand guignol van dolle waanzin. Het heeft iets van Zorns aanval op het Stalling-oeuvre, met de ongedurigheid van John Oswalds plunderphonics. Muziek als aaneenschakeling van akoestisch, bewerkt en eindeloos gemanipuleerd en gerecycleerd geluid. Dat het soms niet duidelijk is waar de grens tussen Blonk en Mallozzi ligt, doet er niet echt toe.

Soms klinkt het alsof drie ouderwetse radiotoestellen wat forse zwikken aan de frequentieknop krijgen, een Mongoolse keelzanger en sprookjesverteller in de kamer ernaast stemoefeningen doen, zowat alle apparaten in de buurt tegelijk op hol slaan en een verdieping lager een blazerskwartet nieuwe rieten uitprobeert. Van duidelijke afspraken of structuren is geen sprake en de zes stukken van elkaar proberen te onderscheiden, heeft al helemaal geen nut. Wat telt is de vrijheid, de inventiviteit en het vermogen om in die totaal desoriënterende uitdaging een samenhang te zien. Die is moeilijk te ontwarren als zo’n tenorsax overwoekerd wordt door het gekrijs van een stal zwijnen, maar laat begrippen even rekbaar zijn. Cabaret Voltaire is weer open, tournée générale.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × 2 =