The Antlers :: Green To Gold

Misschien komt er ooit een dag waarop het allemaal gewoon oké voelt. Er daalt een rust over je neer omdat er niets meer te bewijzen valt. Je beseft dat alles waar je je vroeger druk over maakte, eigenlijk ook maar gewoon deeltjes van het leven zijn, en vaak nog niet eens zulke belangrijk delen. En zo passeert er weer een dag, zoals er duizenden zijn.

Veel zoekende twintigers kijken er misschien naar uit, naar die rust die Peter Silberman op Green To Gold lijkt te hebben gevonden. De zanger van The Antlers heeft zich verzoend met het leven zoals het komt, en dat is allesbehalve een evidentie. The Antlers waren tien jaar geleden namelijk dé doemdenkers van de indierock, met een frontman die voortdurend in de knoop leek te liggen met zichzelf en dat ook op dramatische wijze op plaat zette. The Antlers braken door met een conceptplaat over emotionele chantage op de palliatieve afdeling van een hospitaal, zongen daarna over de liefde die eigenlijk toch maar een dode hond bleek, en huilden tranen met tuiten over de krampachtige zoektocht naar die Ene en naar geborgenheid. Pathos was er te over, prachtnummers ook. Maar het is nu ook alweer zeven jaar geleden dat Familiars verscheen, de laatste emotionele uitputtingsslag van de band.

De afsluiter van dat album was “Refuge”, waarop Silberman zong over een thuis hebben maar het niet beseffen. Green To Gold pakt die draad nu weer op. De man heeft zijn turbulente twintigersjaren achter zich gelaten, in de tussentijd de kracht van stilte en meditatie omarmd, en zit hoorbaar een pak beter in zijn vel. Dat was al een beetje zo op soloplaat Impermanence (2017), waarop echter nog het trauma van gehoorschade verwerkt moest worden. Green To Gold is een plaat gemaakt door iemand die wel finaal zijn plek gevonden heeft in het leven en dat aan iedereen kenbaar wil maken, zonder daarbij grote verwachtingen te hebben dat iemand daar per se op zit te wachten. Het comebackalbum van de groep, intussen gereduceerd tot een duo met Michael Lerner zonder multi-instrumentalist Darby Cicci erbij, klinkt zowel als een zachte, nauwelijks voelbare lentebries én een troostende schouder.

Samen met de existentiële twijfels heeft de groep ook de bombast uit de begindagen achter zich gelaten, en kiest hier resoluut voor een meer bescheiden, rustiek en bijna folky geluid. We weten niet of het vertrek van Cicci en de tinnitus van Silberman hier ook een rol in hebben, maar het zorgt er wel voor dat The Antlers een pak “normaler” en herkenbaarder klinkt dan vroeger. Enerzijds vliegen ze hierdoor nooit echt uit de bocht, maar verrassen doet deze sobere aanpak ook weer niet. Het belangrijkste is echter dat wat de band aan inventiviteit verliest, hij wint aan emotionele directheid. Vroegere albums van The Antlers luisteren, was soms werken geblazen. Green To Gold komt je echter van opener “Strawflower” tegemoet gewaaid, en voelt zo herkenbaar dat het er altijd wel geweest lijkt te zijn. Je hebt zelfs niet meteen door dat het een instrumental is, zoveel zeggingskracht hebben gitaar en piano hier.

Vandaar gaat het naar de lenteachtige sfeer van “Wheels Roll Home” en “Solstice”. Zowel tekst als muziek zijn open en luchtig, in tegenstelling tot het oudere, emotioneel en muzikaal dichtgeplamuurde werk van The Antlers. Silberman herinnert je eraan dat alle seizoenen zich ook maar gewoon herhalen, en het leven minder prangend en veeleisend is dan je vroeger misschien dacht. Vooral het meeslepende “Solstice” is prachtig, met zijn speelse zangpartijen en lichtvoetige instrumentatie. De piano voelt aan als blote voeten in het gras. Andere single “Just One Sec”, over het loslaten van alle persoonlijke ballast die je opbouwt met iemand die je al jaren kent, is met zijn slidegitaar nog nadrukkelijker americana. Toch zijn het vooral de zang en tekst die het beetje clichématige nummer redden.

The Antlers gaan op Green To Gold natuurlijk niet volledig de folktoer op. Er blijven genoeg dromerige momenten waarop je je onder water waant zoals dat op Familiars of Undersea het geval was. “Stubborn Man”, het jazzy “Porchlight” en “It Is What It Is” (een titel die hier ook een intentieverklaring zou kunnen zijn) laten de existentiële beslommeringen wel achter zich, terwijl gitaar, piano en blazers rustig uitwaaien. Het leven heeft nu eenmaal ook niet zoveel haast. “Volunteer” is ingehouden, mysterieus en bezwerend, alvorens prachtig open te bloeien. Even snel verdwijnt de song echter weer, alsof ze er nooit echt was. Het is prachtig. Het titelnummer heeft echter wel écht te weinig om het lijf om zeven minuten te blijven boeien.

Op het eerste gehoor klinkt deze Green To Gold heel doordeweeks, wat toch verrassend is voor een band als The Antlers. Met een beetje slechte wil zou je het kunnen afdoen als een album gemaakt voor een mindfulnesscentrum. Het is pas als je de plaat een aantal keer in haar geheel hebt laten passeren, en vooral als je je eens hebt overgegeven aan de geborgenheid die Silberman hier bezingt, dat ze echt binnenkomt. En zo heeft Green To Gold toch weer een aantal luisterbeurten nodig om je er echt in thuis te voelen. Het is een heel specifieke plaat over een heel specifiek moment in het leven, en toch voelt ze universeel. Dat gevoel weten over te brengen, is altijd de kracht van The Antlers geweest.

En toch voelt Green To Gold nog een beetje als een overgangsplaat aan. Daarvoor beklijft ze nog niet helemaal genoeg, of toch niet zoals wij van The Antlers gewoon zijn. Er is wel al een nieuwe sound gevonden, maar de kwaliteit van de songs hinkt soms nog wat achterop. Of wij zijn gewoon nog steeds een beetje te verbaasd over de lichtvoetigheid van deze tien songs, dat kan ook. Los van het feit of The Antlers met Green To Gold toch een beetje onder hun eigen, vrij hoge lat, duiken, is het wél een heel fijn lenteplaatje geworden om gewoon wat mee in het gras te liggen, de ogen gesloten.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twintig − zestien =