Nicholas Christakis :: Het goede in de mens

De aard en natuur van de mens vormde eeuwenlang een filosofisch en theologisch probleem. Bij gebrek aan harde wetenschappelijke data bleef het bij speculaties en vermoedens. Maar al te vaak werd er, al dan niet vanuit een Christelijke inslag, van uitgegaan dat de mens in essentie een zondig wezen is. Zelfs een verlichtingsdenker als Immanuel Kant sprak over het kromme hout waaruit de mens gesneden is, terwijl de door hem zo bewonderde filosoof Jean-Jacques Rousseau het vaak verkeerd begrepen en geïnterpreteerde principe van de nobele wilde introduceerde die door de maatschappij gecorrumpeerd en gevallen is.

In de tweede helft van de 20e eeuw begon de wetenschap zich steeds meer over de vraag te buigen en werden allerlei data, gegevens en onderzoeken erbij gehaald om een antwoord op de vraag te vinden. Zoals te verwachten was en mag, kwam er niet alleen kritiek op deze aanpak maar waren de antwoorden ook veel minder eenduidig dan gehoopt. Tot de meest optimistische stemmen behoort de al even vaak opgehemelde als verguisde evolutionair psycholoog Steven Pinker, die in vuistdikke werken steevast aantoont dat het steeds beter met de mens gaat. En psychologe Julia Shaw focuste in het eerder teleurstellende Het kwaad. De psychologie van onze duistere kant recent nog op een aantal negatieve kanten van de mens, zonder meteen te besluiten dat alle hoop verloren was. Net zoals de filosofen en theologen voor hen, lijkt in deze populair wetenschappelijke werken dan ook de invalshoek en interpretatie van voorhanden zijnde data en gegevens door te wegen.

Met een titel als Het goede in de mens. De evolutionaire wortels van onze samenleving lijkt arts en socioloog Nicholas Christakis zich duidelijk aan de kant van Pinker, Rutger Bregman (De meeste mensen deugen) en anderen te scharen, maar zijn insteek richt zich niet zozeer op de mens op zich als wel hoe die zich binnen gemeenschappen en groepen gedraagt. Christakis, die zelf geregeld onderzoek doet naar samenwerkingen en groepsverbanden, verdeelt zijn boek hierbij onder in verschillende thema`s waarbij hij eerst kijkt naar hoe gemeenschappen, al dan niet door toeval of door de omstandigheden gevormd, zich tot elkaar verhouden, inclusief liefdes- en vriendschapsrelaties alvorens nader te bekijken op welke manier dit gedrag gevormd wordt door evolutie en genen, en trekt daarbij, zoals wel vaker in dit soort onderzoeken, parallellen met andere diersoorten, zonder in een reductionistische val te trappen. Een laatste hoofdstuk is dan ook gewijd aan de wisselwerking tussen genen en cultuur waardoor de beide eerdere invalshoeken opnieuw met elkaar verzoend raken.

Toen Rousseau zijn idee van een corrumperende maatschappij voorstelde, baseerde hij zich op een eeuwenlange traditie van nadenken over de natuurtoestand, het bestaan van de mens vooraleer deze een maatschappelijke orde of staatsvorm creëerde. Ook Thomas Hobbes, de 17e eeuwse filosoof wiens denken vaak diametraal tegenover dat van Rousseau gesteld wordt en die meende dat de eerste mensen in een oorlog van allen tegen allen leefden en dat bij monde van een staat en gezag een vorm van samenleven en vrede mogelijk was, vertrok in de eerste plaats vanuit aannames. Nochtans waren al sinds de 15e eeuw getuigenissen van schipbreukelingen die een tijdlang op een kleine groep teruggeworpen waren en een nieuwe samenleving dienden uit te bouwen. Het is opvallend dat hier ook in de 20e eeuw nauwelijks aan gerefereerd werd. Zelfs William Golding baseerde zich voor zijn befaamde Lord of the flies (1954), waarin hij beschrijft hoe een groep schoolkinderen strandt op een eiland waarna de groep al snel vervalt tot barbarij en wreedheid, louter op eigen denkbeelden eerder dan terug te grijpen op bestaande gebeurtenissen.

Het is dan ook verfrissend en verhelderend te lezen hoe Christakis uit meerdere voorbeelden kan putten om aan te tonen dat hoewel een verglijding in Hobbessiaanse strijd zeker en geregeld voorkwam het geen noodzakelijke uitkomst is en dat ook andere, meer positieve verhalen te vertellen zijn. Hierbij neemt hij uitgebreid de tijd om de redenen en factoren die tot deze of gene uitkomst geleid hebben nader te bekijken en komt hij niet geheel onverwachts tot de conclusie dat de mens geneigd is tot een bepaalde vorm van vreedzaam samenleven, waarbij solidariteit een belangrijke rol speelt. Uiteraard volstaan deze tijdelijke en onvrijwillig ontstane gemeenschappen alleen niet om tot definitieve conclusies te komen. En hoewel binnen een laboratorium weliswaar bepaalde experimenten opgezet kunnen worden, zijn er de laatste eeuwen gelukkig ook voldoende besloten gemeenschappen opgericht die evenzeer als onderzoeksonderwerp kunnen dienen, waarbij hun falen even veelzeggend is als de beoogde successen.

Na deze breder opgezette samenlevingen bestudeerd te hebben, bekijkt Christakis de meer exclusieve sociale verbanden en de verschillende vormen van huwelijk in het bijzonder. Interessant hierbij is dat hij verder kijkt dan de klassieke monogame en de hedendaagse variant van polygame relaties en zich richt op andere type relaties die binnen (kleinere) gemeenschappen al eeuwenlang stand houden. Net als in beide vorige hoofdstukken is Christakis daarbij niet blind voor de culturele verschillen, die mee bepaald worden door ecologische omgeving en beschikbare grondstoffen, maar zoekt hij vooral naar welke evolutionaire/genetische paralellen te trekken zijn over de verschillende culturen heen. Dat deze biologische factoren ook bij dieren een rol spelen, mag uiteraard niet verbazen per slot van rekening is ook de mens een dier, na culturen met elkaar vergeleken te hebben, komen in de volgende hoofdstukken dieren, en hun verhoudingen tot elkaar en tot mensen veel explicieter aan bod.

Hierbij stelt hij die relaties en verhoudingen centraal die verder reiken dan louter verwantschap, en bespreekt hij zowel het principe van vriendschap als vijandschap. Via deze uitgebreide hoofdstukken maakt Christakis de cirkel rond: vertrok hij eerst vanuit een meer sociologische/antropologische reflecties op de bredere gemeenschap om daarna de meer biologische en culturele aspecten van paarvorming, verwantschap en vriendschap te bekijken, dan eindigt hij met een nieuwe reflectie op brede gemeenschap, ditmaal vanuit een meer evolutionair-genetische bril. Uiteraard kan dit de nodige weerstand oproepen, maar Christakis pareert dit treffend door het belang van genen en cultuur, en hun wederzijdse beïnvloeding helder onder woorden te brengen en potentiële misverstanden zo maximaal uit te klaren.

De natuurtoestand van de mens waar onder meer Hobbes en Rousseau zich het hoofd over braken, speelde vooral een rol in de manier waarop zij meenden dat de moderne samenlevingen tot stand gekomen waren en welke ideaal waren. Hierbij gingen zij net als veel denkers voor en na hen uit van ideeën die niet altijd natuurlijk waren en zelfs tegen de aard van de mens indruisten. Er is zoals Christakis aantoont, immers maar een beperkt aantal ideale maatschappijvornen waartoe de mens vanuit zijn natuur geneigd is, dat hij daar tegen in kan gaan heeft de geschiedenis meermaals bewezen maar zelden tot nooit leidde dat tot een duurzaam resultaat. Doorheen het werk toont Christakis dan ook treffend aan, dat de mens vanuit zijn natuur geneigd is tot samenwerkingen en solidariteit en dat hij mits rekening houdend met de kwalijkere elementen ervan, een ideale(re) samenleving mogelijk is zonder in de val van de utopie te stappen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

18 − 2 =