Paul Auster :: De New York-trilogie

Wie zei ook alweer dat de geschiedenis een pendelbeweging maakt, systematisch van het ene naar het andere uiterste? Dat geldt voor historisch-ideologische en religieuze strekkingen evengoed als voor de kunsten, waar generaties stelselmatig komaf proberen maken met principes van hun voorgangers terwijl ze andere principes van diezelfde voorgangers als axioma’s propageren. Wat dat met Paul Auster en diens New York-trilogie te maken heeft? Alles. De auteur profileert zich er namelijk als een kind van het postmodernisme, zonder de extremen en de dogma’s van de beweging te omarmen.

In ons taalgebied is Austers New York-trilogie inmiddels aan een tiende druk en een herziene vertaling toe. Geen wonder dat De Bezige Bij de drie novelles die tegenwoordig quasi uitsluitend als triptiek uitkomen onder een nieuwe kaft stopte. Voldoende reden om deze zogenaamde ‘klassieker’ – althans zo leest de kaft – van onder het zich nog maar pril verzamelende stof te halen. Nog geen vier decennia zijn er immers verstreken sinds Auster de eerste woorden van het drieluik op papier zette, en nu al zou de trilogie gewapend zijn tegen de tand des tijds. Daar valt iets voor te zeggen, denkende aan de kwaliteit van Austers penvoering.

Menig critici heeft opgemerkt dat romans met een postmoderne, en dus bevreemdende, inslag zelden als pageturners ervaren worden. Auster daarentegen slaagt er in de lezer tot drie keer toe naar het einde te stuwen. Nochtans wacht aan het slot van de drie verhalen geen openbaring en al evenmin een heldere ontmanteling van de bizarre psychologische maalstroom die aan de ontknopingen vooraf gaat. Onderweg wordt reeds duidelijk dat de belofte van een rationeel te beschouwen finale loos is, maar omdat de auteur bij herhaling expliciteert dat de personages onvermijdelijk op een heel specifieke lotsbestemming afstevenen, loopt de lezer als het ware telkens in de val.

Is de New York-trilogie een valkuil? Op zich niet, want wie een doorsnee detective wil lezen weet op voorhand dat Auster niet de juiste man is om er zo een te schrijven. Toch gaat de auteur net met dat genre aan de haal, althans hij vat de zoektocht van karakters naar de motieven en beweegredenen van anderen meer existentieel-literair op. Meer concreet blijkt immers dat de personages behalve naar een ander ook (en vooral!) naar zichzelf op zoek zijn, wat ideeën oplevert over verleden tijd, geleefde tijd, sociale verhoudingen in het algemeen en relaties meer in het bijzonder.

Zo is De gesloten kamer, het laatste deel van de trilogie en omwille van de meer ‘normale’ teneur het meest toegankelijke van de drie verhalen, tegelijk een liefdesgeschiedenis en een portret van een onmogelijke vriendschap. Vanuit metaperspectief thematiseert Auster bovendien de relatie van een kunstenaar tot zijn werk, van diens werk tot de realiteit en van de realiteit tot de persoon van de kunstenaar. Auster vat die cyclus van onderlinge verbanden niet zozeer op als een cirkel, maar als een spiraal, waarbij de lezer almaar dieper in de dieper liggende filosofische context tuimelt. Hetzelfde procedé komt overigens voor in Broze stad en in Schimmen, de twee voorafgaande delen die in de climax van De gesloten kamer uiteindelijk aan elkaar worden geknoopt.

Behalve enkele plotmatige verbanden tussen de drie delen – links die lezers overigens niet hoeven op te pikken om de afzonderlijke hoofdstukken te appreciëren – vormt taal de rode draad doorheen de trilogie als geheel. Niet toevallig voert Auster tot drie keer toe schrijvende figuren op, die in dat proces van schrijven de werkelijkheid proberen te ontwaren, om haar precies door die poging definitief kwijt te geraken. Dat is de postmoderne teneur die op vandaag erg aan de tachtiger jaren doet denken: het idee dat woorden kunnen doen vervreemden van wat is, en dat de geest in haar poging om verbanden te zien en betekenis te genereren kan doordraaien. Noem het artificiële vormen van waanzin, waarin Auster de lezer gestaag maar zeker meevoert. Het is een weliswaar doorzichtige geste, doch een die zijn effect niet mist.

Weinigen zullen aan de verleiding kunnen weerstaan om de drie delen niet te verslinden, hoewel de vraag blijft wat we vandaag verwachten van een boek (of een drieluik boeken) wanneer dat voor ‘klassieker’ doorgaat. Austers New York-trilogie doet anno 2020 aan als een geslaagde vingeroefening, balancerend op een destijds nog niet gedefinieerde scheidslijn tussen verschillende genres. Wat toen nagelnieuw was – de onmogelijke kruisbestuiving die bij Auster ineens gestalte kreeg – heeft de literatuur definitief veranderd, maar zal lezers in het heden niet meer transformeren. Een belangrijk boek voor de literatuur en haar geschiedenis dus, maar voor de lezer hier en nu? Daarover valt toch te redetwisten.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie + dertien =