Flying Horseman :: Mothership

Na tien jaar (Wild Eyes verscheen in 2010) en een parcours met vijf dubbelaars (op vinyl toch) was het tijd voor een frisse wind in kamp Flying Horseman. Dat resulteerde in Mothership, dat na een reeks van vier albums met Koen Gisen, opgenomen werd met Jasper Maekelberg. Verwacht geen brute koerswijziging of plotse popkoers. De verschillen zitten hem eerder in de details dan de kerningrediënten van een album dat nog maar eens het meesterschap van de Antwerpse band bewijst.

Eerst wat cijfers? Mothership is het eerste album van de band dat op vinyl geen dubbelaar is. Met een speelduur van ‘amper’ 38 minuten wordt een kwartier onder Twist gedoken. De gemiddelde songlengte is een minuutje gekrompen in vergelijking met de meeste andere albums en met “Set Reset” heeft de band z’n eerste song onder de drieminutengrens beet. Maar songtitels houden het nog steeds simpel (de helft van de acht titels bestaat uit één woord, wat het totaal op 32/28 brengt voor complete albumreeks). Ook inhoudelijk kan je niet naast overeenkomsten met het voorgaande kijken. De mentale cartografie van Rooms/Ruins is wat minder expliciet geworden, maar het blijft rondhangen in kamers, huizen, steden en hotels, met verwijzingen naar film en andere kunsten, en een spreidstand tussen het individuele en het algemene, de artistieke ambitie en maatschappelijke bekommernis.

Wie gewag maakt van een stilistische breuk heeft de voorbije jaren niet opgelet. De Afrikaans gekleurde ritmes à la Remain In Light van “Citizen” zaten er minstens al in sinds “City” (van City Same City), maar het is een feit dat Mothership de bakkende zon eerder weerspiegelt dan opslorpt in een verduisterde kamer vol zwarte romantiek. Die geladen sfeer van rode wijn, zware gordijnen en narcotische waas paste Flying Horseman als gegoten, dus het strekt hen wel tot eer dat ze er met Maekelberg in geslaagd zijn om meer licht toe te laten zonder in te boeten aan eigenheid. En maak je geen illusies: “Set Reset” pakt dan wel meteen ongeduldig uit met z’n refrein en een zanger die het veilige comfort van de nachtbrakerij van zich afzet; het wil nog niet zeggen dat het een jolige boel geworden is.

Het is wel een album dat er herhaaldelijk bijzonder goed in slaagt om dromerige trance en zwoele groove te combineren. Opener “Citizen” is daarvan misschien het beste bewijs, met de souplesse van ritmesectie Mattias Cré en Alfredo Bravo front & center, gestuwd door die zwalpende toetsen van Loesje en Martha Maieu, wiens talloze lijnen en kleurschakeringen ook sterker naar de voorgrond komen. Heel subtiel is Flying Horseman, oorspronkelijk nog een soloproject, er in geslaagd om Dockx steeds wat meer uit het licht te halen en te omsluiten door zijn bandleden. Die gejaagde maar toch benevelde finale van de opener toont de band-als-orgaan op z’n best.

Mothership is ook een album dat, op vinyl alleszins, een uitstekende volgorde in pacht heeft, met telkens een paar aanstekelijke oorwormen die gevolgd worden door meer atmosferische, geduldiger bewegende stukken. Zo start kant B met de hitsig verkrampende funklijn van “Hotel”, en verwordt het tot een storm van geluid die ei zo na uit z’n voegen barst. Het driftig rollende “Secrets” herinnert even aan de onstuitbaarheid van “Money”, maar zoekt het uiteindelijk elders. Eerst bij aanmoedigingen à la “Memorial”, en vervolgens weer in een hallucinogene zone waar stemmen intens rond elkaar vleien en de boel gestaag aan de kook gebracht wordt. 

De losse groove van “Flare” is bewijs van een nieuwe muzikale lichtvoetigheid, terwijl “Where Do You Live”, met Dockx die vocaal een hoger register verkent dan normaal, z’n tijd neemt voor een geduldige trance. Een vergelijkbaar verhaal krijg je aan de andere kant met “Summer Dance” en “A Song That Lasts”, die het niet zozeer moeten hebben van instant sugar rush, maar volgestouwd zijn met een combinatie van ideeën, kleuren én haast minimalistische repetitiviteit die herhaalde beluisteringen verdienen en hier en daar verankerd zijn in de artsy pop van de jaren tachtig. Zelfs op dit meest ‘extraverte’ album blijft het opvallend met hoeveel zorg, lagen en dosering Flying Horseman zijn songs in elkaar steekt.

Dus ja, een andere Flying Horseman, maar toch ook weer niet. Misschien wel in een ideale spreidstand, met genoeg uitnodigende glans om nieuwkomers te verwelkomen die hiervoor wat geïntimideerd waren door de soms zwaarmoedige blues, maar tegelijk met een koppig behoud van die tweespalt tussen lijfelijke drive en bedwelmende dagdroom. De goede verstaander weet wat dat betekent. De bewijslast: Wild Eyes (2010), Twist (2012), City Same City (2013), Night Is Long (2015), Rooms/Ruins (2018) en nu Mothership (2020). Wat heeft u het voorbije decennium zoal uitgevreten?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × drie =