The Necks :: Body

Nederland heeft het ICP Orchestra en The Ex, Duitsland Peter Brötzmann en het Globe Unity Orchestra en Australië The Necks. Cultureel erfgoed waar je niet omheen kan en waarvan de houdbaarheidsdatum maar blijft verschuiven. Met album #20 maakt het Australische trio zijn meest verrassende statement in jaren, zonder aan eigenheid in te boeten.

Niet dat er veel af te dingen viel op de voorgangers, want Open (2013), Vertigo (2015) en Unfold (2017) waren vertrouwd klinkende, maar ook oerdegelijke Necks-platen die hun legendarische ijzeren controle in de kijker zetten. Dat Body dat geluid toch wat meer openbreekt, hoeft geen rechtstreekse aanleiding te hebben – dit is geen band van modieuze grillen – maar is misschien toch ingegeven door het feit dat de drie leden de voorbije jaren ook solo en met andere projecten in de breedte gegaan zijn.

Voor Swanson was het Ambon-project – gestart vanuit zijn andere band The Catholics, maar uitgegroeid tot een multimediaal iets met woord en beeld – een dominante bezigheid. Tony Buck hield zich vooral bezig met collega’s uit de Berlijnse scene zoals Magda Mayas en Frank Gratkowski, maar was ook in de weer met Hailu Mergia en Kim Myhr. Chris Abrahams ten slotte was de afgelopen jaren bijzonder productief, zowel solo als in duoformaat. Zo verscheen werk met o.m. Alessandro Bossetti, Magda Mayas en Jon Rose. Soms leverde dat fijnmazigheid op binnen microtonaal onderzoek, maar de plaat met Rose was ook een behoorlijk taaie lap die liet horen dat de man zoveel meer is dan het ‘meester van de trance’-label dat hij zo vaak opgekleefd krijgt.

Al is dat natuurlijk wel vaak waar het bij The Necks om draait. Ook nu weer. Body is in tegenstelling tot Unfold, dat uit vier tracks bestond, opnieuw één lange rit, maar dan wel eentje die eigenlijk ook uit vier episodes bestaat. De eerste daarvan is classic Necks: een weefwerk van dromerige pianomotieven, gespreide basstoten en repetitieve drumpatronen. Het trio maakt ook deze keer gebruik van gedoseerde overdubs door er hier en daar een aanzwellende toetsengolf in te steken. Het is The Necks in zijn geliefde vorm: immersief, ritualistisch, bezwerend.

Na een goed kwartier wordt sterker ingezet op het open trance-element, door de piano wat naar de achtergrond te duwen en aanzwellende, waterige toetsengolven het samenspel te laten overspoelen. Een bedachtzame piano prikt, de bas stoot, en Buck houdt dat ritme strak en dominant op de cimbalen. En dan, 24:46: een slag en het trio is vertrokken voor een strak roterende beweging met daverende piano, metronoomdrums en lekker jakkerende elektrische gitaar (Buck). Het moet zowat de eerste keer zijn dat The Necks op plaat aan het rocken slaat, en dat met een krachtige, kraut-achtige koppigheid die postrock en psych lijkt te combineren. Live zou dit onmogelijk zijn, maar het herinnert wel een beetje aan de knetterende concertindrukken.

Het laatste hoofdstuk (vanaf minuut veertig) laat het geluid weer uitdunnen, met een gestaag ritme dat vervangen wordt door percussief getwinkel en een sterke nadruk op drone-elementen en ambient-texturen, ruisende cimbalen en klokkengelui. Het is The Necks ten voeten uit: ingetogen en toch intens, beheerst dramatisch met een licht symfonische ondertoon. Een prachteinde voor een album dat misschien wel tot de meest ‘toegankelijke’ uit hun indrukwekkende catalogus behoort, al zal het voor wat verknochte hardcore fans misschien ook even schrikken zijn. Het doet wel deugd om vast te stellen dat de sound nog altijd gebroken kan worden en wie gaat klagen als de zo legendarische livesynergie van het trio even wat tastbaarder gemaakt wordt?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

veertien − drie =