Tape + The Necks :: 31 oktober 2013, Netwerk

Het Australische culttrio The Necks is er jarenlang in geslaagd om zonder noemenswaardige steun uit de media (en dan hoeven we al helemaal niet te beginnen over de mainstream pers) toch een loyale aanhang op te bouwen. Ruim vijfentwintig jaar na oprichting, en met een uitgebreid jublileuminterview in The Wire en een zoveelste prachtplaat onder de arm, laat de band kunstencentrum Netwerk vollopen. En terecht, want wie erbij was, hoorde een groep aan het werk die gedisciplineerde, begeesterde en zelfs grootse dingen liet horen.

Maar eerst moest je nog het concert van Tape uitzitten en dat was er eigenlijk te veel aan. Nochtans heb je te maken met een trio dat intussen ook al meer dan een decennium aan de weg timmert en de meest uiteenlopende ervaring heeft. Johan Berthling is bassist bij twee van de meest opzwepende jazzbands van Scandinavië (Mats Gustafssons Fire! en Martin Küchens Angles), terwijl multi-instrumentalist Tomas Hallonsten zowel binnen de freejazz (Exploding Customer) als de pop (The Concretes) in actie was. Berthlings broer Andreas is de enige van het stel die zich doorgaans ophoudt binnen een kleiner wereldje (die van de field recordings en diffuse elektronica).

Het trio hield zich een uur lang op in een wereld die vlees noch vis was. Aanleunend bij minimalisme en gestage opbouw, maar het ene moment neigend naar het abstracte met knetter- en kraakgeluidjes die gingen domineren, en daarna met foute synthklanken uit de komische Duitse school, om tenslotte weer te wentelen rond een pastorale gitaarmelodie die volledig ontmanteld of ronduit klef werd. Bij momenten best mooi, maar helaas zonder begeestering en spankracht, en daar kon het gedrevener, ritmische stuk met harmonica geen verandering in brengen. Véél te lang.

The Necks dan. Altijd hetzelfde, altijd anders. Al een kwarteeuw pakt het trio uit met die majestueuze marathons van drie tot vijf kwartier (meteen ook de reden waarom deze band niet zo graag aan vinyl doet) die zonder voorbereiding en met een onwaarschijnlijk oog voor detail en opbouw uitgevoerd worden. Opmerkelijk: Chris Abrahams zat aan de rechterzijde aan zijn piano, met zijn rug naar zijn speelpartners gericht. Hij bepaalt doorgaans hoe het van start gaat, terwijl bassist Lloyd Swanton en drummer Tony Buck gewoon afwachten, inpikken en meestappen, elementen overnemen van elkaar en verder bouwen op een verhaal. Met een geconcentreerde, zelfs obsessieve aandacht.

In de twee lange stukken (respectievelijk 45 en 50 minuten) die de band speelde viel meteen op hoe sterk The Necks fungeert als eenheid. Bruuske wendingen en soloflitsen vallen er niet te rapen; het trio openbaart zich als een blok dat met verschillende touwtjes voortgetrokken wordt. Traag, gestaag en dodelijk efficiënt. De grootste fout die je daarbij zou kunnen maken, is ervan uitgaan dat het beperkte muzikanten zijn. Ze laten het tegendeel immers niet enkel horen buiten dit trio, maar ook binnen deze enorm gedetailleerde en in elkaar gemonteerde stukken machtsvertoon. De sets waren zwaarder, korter en ritmischer dan het pas verschenen Open, dat behoort tot hun meest abstracte en ingetogen platen, maar ook enorm meeslepend en hypnotisch.

Er kruipt immers meteen een onderhuidse puls in, het getiktak van een metronoom die in slow motion oprijst uit die kolkende melange van donderende piano, ronkende bas en het gerinkel, geroffel en geratel van Buck. Dat is een unieke drummer, het ene moment subtiel verschuivend van snare naar toms en cimbalen, met een spanningsboog die tien, twintig, dertig minuten toeneemt, maar soms ook als polyritmische goochelaar, met vier ledematen die samen zorgen voor een overweldigende ritmemachine. De muziek lijkt soms tergend traag op gang te komen, tot je beseft dat dat hele proces, die organische opbouw en wisselwerking, de essentie van hun verhaal is. Soms word je wakker gerukt, als was het een dagdroom, en vraag je je af hoe de band in godsnaam beland is in de overdonderende fase waar hij zich op dat moment in bevindt.

Het eerste deel was misschien iets conventioneler, met zijn gefaseerde opbouw, steeds nadrukkelijker aanzwellen en een rumoerige finale vol intens gerammel, maar het was de tweede set die het meesterschap het mooist benadrukte, met een meer open, abstractere start en een progressie naar een furieuze ritmiek. Minutenlang bespeelde Buck een cimbaal met twee stokken, intussen versnellend en vertragend met basdrumslagen en met zijn andere voet percussiespeeltjes heen en weer rollend. Abrahams speelde eerst met motiefjes, maar liet de handen daarna minutenlang het ivoor op en af lopen. Steeds heen en weer, steeds heen en weer, van weerwoord voorzien door een soepel meeplukkende Swanton; het effect was grandioos.

The Necks klonk dus harder en luider dan op hun recentste album, maar dat is het net mooie aan de band: er worden steeds nieuwe manieren gevonden om die interactie vorm te geven. De ene keer met abstracte introspectie, de andere keer met een groter, rechtlijniger gebaar. Voor een groot stuk is dat natuurlijk een gevolg van een kwarteeuw intense samenwerking, maar anno 2013 staat The Necks niet voor de egotrip of muzikale masturbatie, maar voor de kunst van het luisteren. En dan kan je met je rug naar elkaar gaan zitten zoveel je wil. Meesterlijk.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vier × 2 =