Sleaford Mods :: English Tapas

“Start working on your xmas number 1: father fucking christmas. Who cares about top tenner. Where’s the Mods who penned jolly fucker, fizzy, job seeker …”

“If you get too popular, I’ll have to stop liking you, that’s the rules.”

“Me thinks if you made it to the top 10, you might have to ready a tune slagging yourselves off.”

Met zijn vierde album sinds de echte doorstart van een paar jaar geleden, is Sleaford Mods op een cruciaal punt beland, daar waar talloze bands het begeven. Van een lokaal cultsnoepje dat jaar na jaar z’n aanhang zag uitgroeien, is het duo uitgegroeid tot een naam. In huis gehaald door Rough Trade, met een albumhoes die de voorbije maanden verscheen op billboards, rondrijdende stadsbussen en op lullige gadgets die, inclusief vette knipoog, het jolly fucker-imago van de twee dik in de verf zetten. Het punt is gekomen waarop Sleaford Mods bij volk geraakt dat eigenlijk weinig met muziek heeft naast de charts, het moment waarop zelfverklaarde fans van het eerste uur beginnen af te haken, omdat de band wordt opgevreten door ‘het systeem’.

De twee trekken binnenkort naar Canada en de VS, maar met de uitverkoop valt het allemaal nog mee. Toegegeven, er zit hier geen bommetje van het kaliber van een “Middle Men”, “Jobseeker” of “Jolly Fucker”, stuk voor stuk ziedende brokken gitzwart sarcasme van een observator die al te lang heeft moeten toekijken hoe een cultuur volledig ontspoort en haast ten onder gaat aan een opbod van asociale maatregelen, terwijl een volk gesust wordt met apps en hersendood entertainment. Maar inspiratie zit overal. Fearn zag in een pub dat er ‘English tapas’ werden aangeboden: “(…) half a scotch egg, cup of chips, pickle and a mini pork pie.” Triviaal, maar wijzend op een probleem dat veel dieper gaat: “It says everything about this fucking place. It’s comedy, it’s make do, it’s ignorant and above all, it’s shit.” 

De voorbije jaren heeft geen enkele Britse band zo genadeloos, raak én grappig commentaar geleverd bij de stand van zaken. Fearn en (vooral) Williamson worden er vaak mee voorgesteld als de laatste echte punks die nog op de barricaden staan, maar het is meer dan een schreeuwerige pose of drie-akkoordenkabaal. Dat de twee het systeem van binnenuit kennen, de verlammende slingerbeweging tussen uitkeringen en uitzichtloosheid, schreeuwerige reclame en schaamteloze politici, spat nog altijd van de twaalf rudimentaire songs die hier bij elkaar geschraapt werden. Repetitieve baslijnen die rechtstreeks weggeplukt lijken uit old school postpunkplaten, met eindeloos hamerende snare drums, vormen nog steeds de begeleidingstrack bij Williamsons gehavende testosteronpoëzie, die wordt afgerateld met een militaristische verbetenheid (“Army Nights”), fookin’ verontwaardigde giftigheid (“Snout”) of algemene attitude van-heb-ik-je-daar, met speekselvlokken die onophoudelijk rondvliegen (de rest).

Bijna onmogelijk om er hoogte- of dieptepunten uit te pikken, omdat de band nu eenmaal een formule hanteert (misschien net iets nauwer dan op Key Markets) waar eindeloos op gevarieerd wordt. Hier en daar wordt verwezen naar specifieke Britse cultuurfenomenen of gebeurtenissen, zoals “B.H.S.” (verwijzen naar warenhuisketen British Home Store, die in 2016 de fles op ging, met massaal jobverlies tot gevolg), themapark Drayton Manor en über-Britse komiek Bernie Winters. Maar de twee spreken ook de taal van de straat en het volk, en dus worden Brexit én Beatles, Snapchat én iPhones, SuperDry én Ferrari in de blender gegooid, samen met — gelukkig — een gezond gevoel voor zelfrelativering.

Er worden middelvingers uitgestoken naar betweterige has beens (het irritant catchy “Just Like We Do”, met venijn als “Don’t get arsey ’cause the organizers didn’t invite you”) en consumentencultuur (“You like music that much then start fucking listening to it”, in “Snout”) en er wordt nog eens aangetoond dat Williamson de bastaardzoon is van John Osborne, Kingsley Amis, Joe Strummer, Gil Scott-Heron, John Cooper Clarke, Billy Bragg en Mark E. Smith, het duo een muzikale/geestelijke verwant van The Streets, de as Crass-Conflict, Saul Williams en The Fall. Het beeld dat van hun thuisland-op-de-dool wordt opgehangen, is niet fraai en stemt niet optimistisch, maar dit is dan ook geen geschikt moment voor tea & niceties. Dat ze nog lang, zo lang als nodig, de inspiratie kunnen vinden om van leer te trekken. Volhouden, wankers.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zes − een =