“I hear the big one still coming down / Love like rolling thunder”. In al zijn beknoptheid klinkt Still Coming Down immens. Op zijn zesde als Wild Pink perfectioneert John Ross zijn gitaargeluid tot in de puntjes.
Er is iets urgents aan Still Coming Down van Wild Pink. Je kunt er de vinger niet op leggen, maar je voelt het. Deze negen songs branden van noodzaak. Ze blijven geen seconde langer dan nodig – desnoods niet meer dan twee minuten en een half – maar ze vertellen daarin alles wat je moet weten. Elke gitaar op Still Coming Down wordt in het rood geduwd, en die immer aanwezige fuzz geeft de plaat alweer dat brandende gevoel.
Het zorgt er voor dat “500 Is The New 250” in zijn laatste bocht niet anders kan dan naar witheet te schakelen, en John Ross trekt zo hard aan zijn snaren dat het klinkt alsof hij hoopt dat dat zelf hem zal helpen. “Round Of Applause At The End Of The World” schiet dan weer met zo’n vaart uit de startblokken dat het voorganger “Box Store” bijna de adem afknijpt. “I don’t know what my idea of fun is anymore”, zingt Ross, en op een of andere manier verknoopt hij die gedachte met de moord op John F. en Bobby Kennedy.
Zes platen timmert Ross ondertussen al aan de weg. Met Dulling The Horns, de vorige, stond hij in Rotterdam op Left Of The Dial, en toen noteerden we “prettige rootsrock” en: “downbeat grunge”. Aan die formule heeft de Amerikaan niet veel veranderd, hij verfijnde ze gewoon tot in de perfectie. Elke gitaar, zelfs al is zijn klank tot het uiterste geduwd, klinkt loepzuiver, ronkt als een goed afgestelde Mustang. Dat hij met deze plaat eindelijk zijn stem heeft gevonden, zegt hij. En dat hoor je in de achteloze eerlijkheid van iets als “Swear to God, I’m gonna be pissed if Heaven and Hell are real places / If there’s more to do after this” uit “Plates Keep Spinning”.
Het is zo’n nummer waarin Ross weer maar eens een loner portretteert, het soort man waarin hij zichzelf misschien te hard herkent. In “500 Is The New 250” gaat een man zo naar zijn favoriete bar, maar dan enkel “to bet on my phone and drink alone”, “Like Water” verhaalt over de mooist zingende vervormde gitaren over een Roemeense familie die op de vlucht slaat na de val van Ceausescu. “Like water coming down the gutter / If you want to, you can leave everything”, zingt Ross, maar je voelt dat het allemaal zo eenvoudig niet zal zijn.
In dat gekke riedeltje dat in dat nummer als bruggetje dient hoor je natuurlijk ook dat Ross zijn geld doorgaans verdient als jingle-schrijver. Dat dat in dienst van Cameron Winters vader is? Dat minder, maar u weet het bij deze, voor uw volgende trivia-time. Hier is iemand aan het werk die een oor heeft voor melodie, en dus loeien ook in “Simple” de gitaren weer warm op, is “Dead For A Sec” in al zijn simpelheid onweerstaanbaar aanstekelijk; het is barmuziek waar je zo de houten lambrisering van een Amerikaanse kroeg bij denkt.
Nauwelijks een 33 minuten duurt Still Coming Down, een flink half uur rootsrock die knettert als het betere haardvuur. Na afloop wil je maar één ding: nog een rondje. En nog een. En nog een. En nog een.
Wild Pink speelt op 1 september, vanavond, in de Botanique in Brussel. Er zijn nog kaartjes.




