Fred Hersch Trio :: Sunday Night At The Vanguard

In de liner notes bij het album doet pianist Fred Hersch zijn liefde voor de legendarische club The Village Vanguard uitgebreid uit de doeken. Hij trok er veertig jaar voor het eerst naartoe als jazzliefhebber, en zou er in de loop der jaren talloze keren optreden. Een blik op ’s mans discografie had dat eigenlijk al duidelijk kunnen maken. Het is intussen zijn vierde album dat er opgenomen werd, en het werd een prachtige toevoeging aan een intussen fenomenale lijst.

Ga maar eens na: in de periode 1957-1961 namen Sonny Rollins, Bill Evans en John Coltrane (die nog eens terugkeerde in 1966 met iets totaal anders) er muziek op die tot het kanon van de jazz behoort. Later kwamen daar nog andere zwaargewichten als Paul Motian, Art Pepper, Mal Waldron en Keith Jarrett bij. Of recenter ook nog Bill Frisell, Wynton Marsalis, Brad Mehldau en Marc Ribot. Jason Moran mocht in 2015 nog de evenementen rond de tachtigste verjaardag van de keet cureren en Hersch nam er drie platen op in de voorbije vijf jaar: in 2011 verscheen Alone At The Vanguard, het jaar erop dubbelaar Alive At The Vanguard met dit Trio, dat intussen al zeven jaar zijn vlaggenschip is.

Hersch wordt algemeen beschouwd als een van de beste pianisten van zijn generatie (“Fred at the piano is like LeBron James on the basketball court. He’s perfection,” liet Moran zich eens ontvallen), en eigenlijk hoef je niet verder te kijken dan opener “A Cockeyed Optimist” om de bijzondere kwaliteiten van de pianist en zijn kompanen te horen. Het is een en al elegantie en dosering, de delicate aanpak van een zachtaardige tegeldraaier die een compositie (in dit geval een klassieker van Rodgers uit de grotendeels vergeten film South Pacific (1958)) volledig binnenstebuiten kan keren. Hersch is niet de man van de swingende blues of harde funk, maar die van het penseel. Je zal ‘m nooit betrappen op overbodige poeha of de zie-mij-hier-nu-eens-m’n-gang-gaan-met-dat-stuk-attitude die sommige van z’n collega’s kenmerkt. Hersch is ingetogen, werkt met 100% respect voor het origineel.

Wil een Mehldau zich soms eens verliezen in al te uitvoerige excursies, om nog maar te zwijgen van een Jarrett, dan is Hersch een meester van het compacte statement, en in bassist John Hébert en drummer Eric McPherson heeft hij al jaren de ideale gezellen gevonden. Samen zijn ze intussen beland op een platform waar ze elkaar instinctief kunnen aanvoelen en elke gelegenheid kunnen aangrijpen om de muziek op een andere/nieuwe manier te exploreren. Net als Hersch, die steevast geplaatst wordt in een lijn die begint bij Bill Evans, zijn Hébert en McPherson muzikanten met een opmerkelijke sensitiviteit, die zowel hun weg weten met flukse swingpartijen en lijzige ballades, als met impressionistische schetsen waarbij het spelen op de tast een imposante poëtische geladenheid krijgt.

Dat is al zo in het toepasselijk getitelde ‘Serpentine”, dat de start betekent van een reeks eigen composities. Hier sijpelt Hersch’ liefde voor de klassieke muziek duidelijk naar binnen, maar wordt al net zo delicaat en fantasierijk gespeeld door de ritmesectie, met een lyrische solo van Hébert en geschilderd cimbalenwerk van McPherson. Het eigen materiaal (doorgaans zowat in 50/50-verhouding met composities van anderen) blijft ook daarna imponeren, en er vindt een knappe slingerbeweging plaats van meer klassieke vingeroefeningen (probeer maar eens niet breed te grijnzen wanneer het applaus losbarst na het dartelende “The Optimum Thing”) naar meer zoekende, abstracte stukken (“Calligram”, dat steeds hoekiger lijkt te worden) en terug naar traditioneler terrein (“Blackwing Palomino”).

Het tweede deel van het album belicht Hersch’ interpretatievermogens op magistrale manier: zijn versie van The Beatles’ “For No One” rekt het krappe origineel (twee minuten waarin McCartneys piano centraal stond) tot een melancholisch slepend stuk, terwijl zijn uitvoering van Jimmie Rowles’ bekendste compositie “The Peacocks” (dat hij trouwens al opnam voor zijn eerste trioalbum uit 1987) nu al als een klassieke ballade klinkt. Daartussen zet hij z’n meer frivole elegantie in de kijker in een versie van Kenny Wheelers “Everybody’s Song But My Own”, waarin het wiegende thema erg fraai uitgespeeld wordt tegen percussieve loopjes. Afsluiten gebeurt dan weer met een uitvoering van het minder bekende “We See” van Monk (uit diens overgangsperiode bij Prestige), waarvoor het Trio zich behendig door bochten en langs tempowisselingen begeeft. En dan is er als bis nog het solo uitgevoerde brokje romantiek van “Valentine”, intussen een klassieker van eigen hand en een miniatuurjuweel.

Hersch laat op Sunday Night At The Vanguard geen nieuwe experimenten horen – niet binnen de jazz en niet binnen zijn eigen oeuvre -, maar dat hoeft ook niet, want deze artiest heeft z’n kunst gaandeweg vervolmaakt op een manier die voor weinigen weggelegd is en vanaf de eerste seconden uit de speakers gulpt. Zelfs zonder de overbekende aha-composities (“Lonely Woman”, “Softly As In A Morning Sunrise”, “I Fall In Love Too Easily”, “Doxy”,…) die wel te vinden waren op de vorige concertregistratie, is dit een plaat die meteen klopt. Het album bevat ronduit fantastisch spel van een buitengewoon sterk communicerende band, die geen gimmicks, grote gebaren of crossover appeal nodig heeft om de aandacht bij de les te houden. Tijdloze klasse van een Grote.

Hersch speelt binnenkort vier soloconcerten in België: 8/12 in 30CC (Leuven), 10/12 in CC De Spil (Roeselare), 11/12 in De Roma (Antwerpen) en 13/12 in CC Hasselt. Het Trio speelt in mei 2017 op Jazz à Liège.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × 2 =