blink-182 :: California

Ach, blink-182. Er lijkt ooit een tijd geweest te zijn dat het best oké was om de Californische pretpunkers ongegeneerd leuk te vinden. Of daar nu nog een tijd voor kan bestaan, moet blijken uit California, de zevende alweer. James, ons skateboard!

Blink-182, de formatie rond eeuwige tiener Mark Hoppus (44, voelen we ons verplicht erbij te vermelden) bracht in de tweede helft van de nineties drie — vooral in de Zuid-Californische poppunkscene extreem relevante — platen uit. Cheshire Cat (1995): straf tienerpunkdebuut. Dude Ranch (1997): accuraat, snedig en bevestigend. Enema Of The State (1999): wereldveroverende, melodische pretpunkperfectie (“What’s My Age Again?”). Voorbij de millenniumwisseling gaat het, omwille van personeelswissels en aanverwante perikelen, steil bergaf, met miskleunen en zijsporen troef. Gitarist Tom DeLonge gaf er uiteindelijk twee keer de brui aan, in respectievelijk in 2005 en 2015. Misschien voelde hij nattigheid; misschien is hij zo dom nog niet.

Want om een halfopen deur in te trappen: blink-182 is inmiddels zacht uitgedrukt wat belegen geworden. DeLonge is er anno 2016 dus niet meer bij. Hij zag de leegte die hij naliet ingevuld door Matt Skiba, zanger-gitarist van emo-punkrockact Alkaline Trio. Dat blijkt al snel geen aanwinst voor een band die in de schijnwerpers trad met luchtige onvolwassenheden. Alkaline Trio blonk jaren uit in muziek voor fans van zwart en bloedrood. Op California gooit het samenraapsel van punkrockoudgedienden beide tegenpolen van invloeden in de blender en het resultaat is… Tja. Onevenwichtig? Flauw? Giftig? All of the above?

Er lijkt voor het maken van die mix een vreemd pact gesloten te zijn. Skiba mag zijn voorliefde voor zwartgallige poëzie botvieren (“Bored to death and fading fast/Life is too short to last long” op single “Bored To Death”: diepe zucht), als Hoppus de beste onderbroekenhumoroloog in zichzelf mag bovenhalen. “I wanna see some naked dudes/That’s why I built this pool”, gaat het in de weggegooide 16 seconden halverwege de plaat die de band “Built This Pool” doopte. De non-song wordt afgesloten met een stem — het blijkt die van drummer Travis Barker te zijn — die zich op de achtergrond “Is that really it?” afvraagt. Hij is niet alleen. Met “Brohemian Rhapsody” houdt het trio de grootste facepalm echter voor het einde, maar luister vooral (niet) zelf.

Na een intro die weinig ter zake doet, komt “Cynical” helemaal vooraan tot de beste halve minuut van het album. Wat volgt is een resem frustrerende pogingen om een verloren tijdperk terug tot leven te brengen via weliswaar vaak catchy melodische riffs met hier en daar een echt goeie vondst. Zo wordt single “Bored To Death” gered door een puike bridge en roept “The Only Thing That Matters” zowaar over de hele lijn herinneringen op aan de blink-182 van toen. Helaas komt de band verder amper in de buurt van de oude glorie. En na de zoveelste “Zuid-Californië is tof, maar toch niet zo tof” (“Los Angeles”, “San Diego”, “California”) dreigen wij onze tanden kapot te knarsen. Bovendien is alles ook nog eens hopeloos overdreven geproducet. Alle oneffenheden zijn vakkundig weggepolijst, weg is de spontane lol.

Ach, blink-182. Ooit was er een tijd, maar die lijkt al lang voorbij. Optimisten mogen hopen dat hij ooit terug komt, maar realisten volgen DeLonge’s voorbeeld: laat blink-182 voor wat het is. Ooit was het beter.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twintig − negen =