Ulrika Spacek :: The Album Paranoia

Alsof er de voorbije twintig jaar niets boeiends gebeurd is in de rockmuziek. Ulrika Spacek brengt rock die zo uit de late jaren ‘80 en vroege jaren ‘90 geplukt lijkt te zijn. En laat dat nu net een gouden periode geweest zijn.

Laten we duidelijk zijn: Ulrika Spacek is geen soloartieste, maar een vijfkoppige groep. Eentje met een niet alledaagse ontstaansgeschiedenis. Rhys Edwards en Rhys Williams — namen waar de Britishness van afspat — waren klasgenoten in het welvarende Engelse stadje Reading. Pas toen Edwards een tijdje in Berlijn woonde en Williams er op bezoek kwam, besloten ze om samen een band op te richten. Eenmaal terug in Londen werd het duo een vijftal en namen ze in een voormalige kunstgalerij, waar ze nu ook wonen, hun debuut The Album Paranoia op. En de vreemde groepsnaam? Die is een samentrekking van de namen van de extreemlinkse militante Ulrike Meinhof en actrice Sissy Spacek en werd ongetwijfeld bedacht in een dronken bui.

Het eerste nummer, “I Don’t Know”, maakt meteen duidelijk welk soort muzikaal vlees we hier in de kuip hebben. Het opent met een dreigende, repetitieve gitaarriff die aankomt als een linkse directe. Dat de intro van het nummer tegen de twee minuten aanschurkt, maakt niet uit. Wat Ulrika Spacek brengt, moet het immers niet van traditionele songstructuren hebben. Het is de sound die telt, getuige de talrijke droneachtige gitaarpartijen, die niet de ambitie hebben om behaaglijk te klinken, maar die er wel voor zorgen dat de aandacht meteen getrokken wordt. De muziek van Ulrika Spacek roept herinneringen op aan Sonic Youth ten tijde van Sister en Evol, of even goed aan de loodzware en allesverschroeiende sound van My Bloody Valentine. “Strawberry Glue” doet met zijn knap met elkaar verweven gitaren dan weer denken aan Television. In “Porcelain” slaagt Ulrika Spacek erin tegelijk etherisch en hypnotiserend te klinken. De afstandelijke, onderkoelde en in reverb gedrenkte zang past wonderwel bij thema’s als paranoïa en vervreemding.

Van de kenmerkende sound wordt enkel afgeweken voor de instrumental “Circa 1954” — waar de piano centraal staat — en “Airportism” dat zowel in titel als sound nauw aansluit bij Radiohead‘s OK Computer. De twee prijsbeesten staan echter mooi in het midden van het album. “Beta Male” heeft een memorabele intro met een geweldige gitaarrif, die voortgedreven wordt door drums die een ritme aangeven, strak als een metronoom. Een tweede gitaar komt af en toe langs om wat ademruimte te geven. Die intro is zo geweldig goed dat je zowaar zelfs een beetje spijt hebt als na iets meer dan twee minuten de zang invalt. De song blijft geweldig, maar het is toch vooral het begin dat blijft nazinderen. Dat andere hoogtepunt,“NK”, wordt gedragen door een loodzware, grofkorrelige riff die klinkt als de Smashing Pumpkins in slow motion. Het schuurt en het wringt en het klinkt vooral onweerstaanbaar.

Met The Album Paranoia kijkt de band schaamteloos achteruit. Toch slagen ze erin om op zo’n authentieke manier met het verleden aan de slag te gaan, dat ze meteen klaar lijken voor de toekomst. Het resultaat is geen radiovriendelijke prefabrock voor het hele gezin, maar een eigenzinnige band die een geluid heeft dat staat als een huis. Reken daarbij een resem sterke songs en we halen voor een groep als Ulrika Spacek graag het predikaat “veelbelovend” boven.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

19 − tien =