Jukwaa :: Harbinger Of Imminent Ruin

We namen in onze bespreking van Jukwaa’s eerste al labels als “merkwaardig” en “eigenzinnig” in de mond, en dat maakt het moeilijk om nu opnieuw op de proppen te komen met gepaste adjectieven. Was die eerste plaat immers een halfverborgen middelvinger naar de traditie, dan krijgt die laatste deze keer een regelrechte schop in het kruis. Zelden omarmde een jonge Belgsiche band zo gretig (en lawaaierig) de extremere mogelijkheden van de vrije improvisatie.

Dat toetsenist Thijs Troch, bassist Nils Vermeulen en drummer Bert Minnaert (die zich ook nog altijd Sigfried Burroughs laat noemen) deze keer twee gasten aan boord gehesen hebben, zit daar ongetwijfeld voor iets tussen, want ook gitarist Jonas Van den Bossche en rietblazer Otto Kokke doen hun duit in het zakje. Harbinger Of Imminent Ruin zet z’n tocht verder waar die eerste plaat ophield, en dat met een nerveus, noisy en vaak manisch totaalgeluid. Dat past op zijn beurt dan ook weer in het evolutieproces dat de muzikantendoormaakten bij andere projecten, waarbij steeds sterker buiten de lijnen gekleurd werd. Thijs en Jan Daelman maakten van Keenroh een grootschalig project, Vermeulen blijft actief in de meest uiteenlopende projecten, samen richtten ze onlangs de Residuum Free Unit op met Dirk Serries, en Minnaert kon zich ook nog eens volledig laten gaan met o.m. Onmens.

Gitarist Van den Bossche schippert heen en weer tussen Gent en Tallin, tussen muziek en theater, en injecteert de muziek met een forse dosis overstuurd lawaai. Maar niet altijd, want er wordt hier ook gespeeld met verschillende bezettingen, waardoor het album, of toch zeker de eerste helft, voortdurend transformeert. En met Kokke, helft van het Nijmeegse Dead Neanderthals, aan boord, weet je dat de val van het gemak en de toegeving halsstarrig vermeden zal worden. En het is eigenlijk ook best mooi dat de man hier niet z’n duister ronkende bariton of scheurende tenorsax gebruikt, maar een sopraansax, die hier voortdurend in een jankend, zeurend en gierend register blijft hangen (dat sluit dan weer aan bij dat recentste wapenfeit van Dead Neanderthals).

Het begint allemaal nog redelijk gematigd en ingetogen met opener “Incense”, waarin vooral gespeeld wordt met ruimte en dosering. Er wordt in de pianobuik gedoken, de sopraansax beperkt zich tot korte figuren, Minnaert werkt met mallets en de gitaar klinkt aanvankelijk scratchy zonder de boel in de fik te steken. Het is improvisatie als een kleurboek van merkwaardige ideeën. Niet te volgestouwd, open, schijnbaar intuïtief en willekeurig, maar gaandeweg ook met een sterkere focus die de toenemende intensiteit naar het terrein van een dreunende monotonie stuurt, waarin de piano hels gedonder voorbrengt en de vijf zorgen voor een schurende en ratelende kletterstroom van klanken.

De drie volgende stukken spelen met aangepaste bezettingen. “Fantôme”, van een kwartet zonder Van den Bossche, volgt (nu ja, krijgt) een krom struikelritme, waarin het geneuzel van Kokke na verloop van tijd doorkruist wordt door het beweeglijke, haast frivole spel van Troch, terwijl “Antépénultième” klinkt als een bloederige vrijpartij voor grof vervormde bas en (vermoedelijk) Trochs Moog, die een vies borrelende ondergrondbrij voortbrengt. Op “Ach” krijg je dan weer Jukwaa in triogedaante te horen, maar potiger dan op de vorige plaat het geval was. Opnieuw hoor je die wrijving tussen drums en piano, met Vermeulen die het zootje bij elkaar houdt.

Met de resterende vier tracks, de tweede albumhelft, wordt een andere koers gevaren. Hier worden de maskers definitief afgeworpen en gekozen voor het tumult. De snelle tik-tik-tik van de 75 seconden durende titeltrack is niet de start van een explosief stukje punkjazz à la Naked City, maar een neurotische gierende, jankende en ratelende tweespalt van energie en weerbarstigheid. De stukken daarna duwen niet voortdurend op het gaspedaal, maar er spat niettemin een immense, tegendraadse agressie van de stukken. In “Rose” gaat het versplinterde gitaargeluid een bokkig duel aan met piepende sax, zeurende/pruttelende Moog en opnieuw een struikelende ritmesectie, met een meer start/stopachtige dynamiek in de tweede helft.

Het compacte “Blossom” is noisy impro waarmee definitief in publieksvijandig terrein gedoken wordt, terwijl afsluiter “Thiepval Poppies” klinkt zoals een song over klaprozen in een kapotgebombardeerd Frans dorp moet klinken: Vermeulen geeft een lange, excentrieke aanzet met strijkstok, maar zodra Minnaert en Van den Bossche zich ermee gaan moeien, wordt het een stuiterend en jachtig kerffestijn, dat van ver iets heeft van het lawaaierige van The Ex of een handvol no wave-bands, maar met de komst van een klaterend uithalende Troch in de finale vooral de tumultueuze energie van, pakweg, het Yosuke Yamashita Trio oproept. Minder jazz, maar al even knetterend, tot het op barsten staat.

Harbinger Of Imminent Ruin laat vooral horen dat Jukwaa de deuren wijd open gegooid heeft. Samen met een paar gasten werd stevig huisgehouden in een territorium dat een pak uitdagender en breder is dan op het vorige album. Niks voor een groot publiek, maar misschien wel iets met gevolgen voor de avontuurlijke kant van de Belgische improvisatie. Het werd dan ook tijd dat we een antwoord kunnen bieden op The New Wave Of Dutch Heavy Jazz, etc. Spannend.

Beluisteren/bestellen kan o.m. via Bandcamp. De cd is gehuld is gezeefdrukt artwork van François Van Damme.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 × 5 =