Liturgy :: The Ark Work

… en dan komt een van de meest verdeling zaaiende undergroundbands van de laatste jaren op de proppen met de plaat die de puntjes op de ‘i’ zou zetten, het publiek definitief zou opzadelen met een gevoel van onbehagen en een gebrek aan referenties. Kan wel zijn, maar het naar superlatieven hengelende The Ark Work is daardoor ook een plaat die voor frustraties zorgt, want de triomfantelijke (!) pieken worden helaas vergezeld van een paar momenten waarop de band zich schielijk vergaloppeert.

Maar eerst: het zal ons eigenlijk worst wezen hoe het gesteld is met de welles-nietesdiscussies rond de black metalidentiteit van het New Yorkse kwartet. Er is al zoveel inkt en vitriool over gevloeid dat een beschaafde discussie zonder heen-en-weer geslingerde verwijten amper nog mogelijk lijkt. En eigenlijk doet het er niet toe. Transcendentaal en filosofisch onderbouwd of niet. Zwart, grijs of fluoroze. Fake of kvlt. De pot op. Het leven is al complex genoeg om tijd te verspillen aan gezemel dat vooral aangewend wordt om retorisch talent en gelijkhebberij in de verf te zetten. Spreek ons niet van de toogexperten die avond na avond de waarheid in pacht hebben. De mannen met een mening. We kennen ze.

The Ark Work dus, de plaat waarop Hunter Hunt-Hendrix en de zijnen volledig over de rooie zouden gaan. Eerste vaststelling: als je één en ander gewoon bent, dan valt het allemaal wel mee met het bevreemdende karakter van het album. Zo extreem is dat helemaal niet. Het is geen gehoorpijnigende noise of aritmische chaos. Het is wél een redelijk unieke plaat. Er zijn wel degelijke referenties (zie later), maar die zitten hem vooral in details, klanken, parallellen en geïsoleerde ideeën. Binnen de wereld van de metal vind je hoogstwaarschijnlijk geen enkele band die klinkt zoals Liturgy. Niet echt. Maar misschien hoef je Liturgy niet eens te beschouwen als een metalband. Doet dat er nog toe?

Zijn er immers bands die vanuit een genre dat haast even conservatief en xenofoob is als het marginale zootjes onnozelaars dat zich verzamelt onder de naam Pegida aan de slag durven gaan met stotterende elektronica, pompeuze blazers, aanzwellende strijkers, doedelzakken, glockenspiel en andere tingeltangels (of samples daarvan)? The Ark Work bevat passages die volgestouwd zijn met die opgejutte tremologitaren van Bernard Gann en het razende drumwerk van meesterdrummer Greg Fox is bij momenten ronduit verbluffend, maar neigt hier en daar eerder naar avant-garde, naar uit z’n voegen barstende symfonische rock, middeleeuwse religieuze muziek, het grandioze theater van Swans en een genre-clash die geen spaander meer heel laat van opgedrongen conventies. En dat dwingt eigenlijk al respect af. Deze toewijding aan een visie, hoe onbevattelijk ook, valt niet te veinzen. Hier werd hard aan gewerkt.

Wat op voorhand al werd gesuggereerd en hier en daar wordt opgevangen, is dat we te maken zouden hebben met een onsamenhangend zootje dat te veel richtingen tegelijkertijd uitstuitert. Niets daarvan. Ook al is het soms niet (meteen) duidelijk wat de band eigenlijk aan het uitvreten is, de coherentie van The Ark Work ligt er dik op. Dit is het werk van artiesten met een plan, een concept en een tote bag vol ideeën die via een systeem van kruisverbanden over het album uitgestrooid worden. Het album beluisteren heeft soms iets van een muzikaal spiegelpaleis: eerder gehoorde ideeën keren regelmatig terug, de ene keer subtiel verwerkt in een reeks variaties of met een ander instrument, de andere keer door ze aan te dikken tot mastodontproporties.

Opener “Fanfare”, met een gepaste titel, is er zo eentje. Een dikke twee minuten klaroengeschal in laagjes, het doet even denken aan de trip van Robert Wyatts “Little Red Riding Hood Hit The Road”. Feestelijk en uitbundig, multicolor fantasie. Je ziet zo de banieren wapperen, hoort het hoefgetrappel, stelt je voor hoe Ivanhoe het strijdperk oprijdt. Het is de voorbode van een plaat die dergelijke waanzinnige ideeën een paar keer uit de mouw schudt, maar soms pas na een haasje-over. Zo komt die toeterende aanzet terug, maar dan in een met steroïden volgepompte versie, in “Kel Valhaal”, waarin het klokkengelui en de doedelzakken gezelschap krijgen van de simultaan stuiterende band, die zich haast te buiten gaat een aan theatrale, symfonische sludge (die bas!), terwijl Hunt-Hendrix z’n bezwerende teksten ritueel en bijna ondraaglijk monotoon declameert, een beetje zoals Al Cisneros dat doet bij Om, maar dan zeurderig.

Of het andere duo dat er tussen gewrongen zit, “Follow” en “Follow II”. Het eerste sluit na wat belletjesgerinkel redelijk dicht aan bij de verheven furie van Aesthethica, maar krijgt dan gezelschap van etherische zangpartijen en massalawaai. Voortdurend duiken er elektronische details en effecten op. De tegenhanger is, opnieuw, een uitgezette versie, met een lange aanloop die naar een orkestrale grandeur sluipt met brommende bassen en grootse strijkers. Hans Zimmer-toestanden, maar dan opgesmukt met donderende metal die een wolkbreuk veroorzaakt en waarachter een verblindende zon schuilgaat. Jezus, wat een opgeklopte kermis, en tegelijkertijd een oplawaai van formaat.

Vooruitgeschoven song “Quetzalcoatl” zaait vermoedelijk het meeste verwarring: een aanhoudende beat, bewerkte tremolopartijen, suizende bassen en Hunt-Hendrix die er nasaal op los neuzelt en klinkt als Garland Jeffreys na een aantal valiumpillen. Eigenaardig, dramatisch en doordrongen van een merkwaardige, pakkende melancholie, die terugkeert in afsluiter “Total War”, waar nog nadrukkelijker de kaart van de emotie getrokken wordt, met een dynamiek die compleet off the charts is. Best van al is echter hoe het motiefje van het vrij kale “Haelegen” (ben ik de enige die voortdurend aan “Talisman” uit Airs Moon Safari moet denken?) hernomen wordt in het elf minuten durende scharnierstuk “Reign Array”, dat sacrale variété, furie en bombast combineert in gelijke dosissen. Dit moet zowat de belichaming zijn van wat voorman en ideologisch brein Hunt-Hendrix al die tijd in gedachten had.

Helaas voelt The Ark Work dus ook aan alsof de band iets té veel hooi op ’de vork neemt. Of net iets te overtuigd is van het idee dat alle ideeën even sterk waren. En dat is niet het geval, want na de eerste albumhelft trekt de tweede zich met veel moeite weer op gang. Na al het voorgaande voelt “Father Vorizen” aan als een drammerige uitstap in de richting van een postrockvibe die het equivalent is van zes minuten ongeïnspireerd rondjes draaien. En dat is allemaal nog niets in vergelijking met “Vitriol”, een experiment rond gelaagde stemmen met koorambitie waarin Hunt-Hendrix aan het rappen slaat op een manier die te sterk overhelt naar de pastiche (en ga in godsnaam niet luisteren naar wat hij te zeggen heeft). Een ongelukkige, zelfs onnozele uitglijder in een plaat die sowieso voortdurend flirt met de grens tussen ambitie en waanidee.

Maar die achilleshiel is tegelijkertijd ook iets wat Liturgy daadwerkelijk als troef kan uitspelen. The Ark Work bevat meer lef en ideeën dan de meeste bands in een hele carrière aanvoeren, al is de vraag of hun zelfinschatting het hier en daar niet te veel liet afweten. Vraag het ons anders nog eens over een jaar of zo, of nadat we ze nog eens live zagen. Misschien denken we er dan weer anders over. Voorlopig blijft het heen en weer schipperen tussen mislukt meesterwerk en fascinerende flop.

Liturgy speelt op 8/6 in de AB (Brussel) en op 14/6 in de 4AD (Diksmuide).

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

16 − 7 =