Ghost Culture :: Ghost Culture

Wie in het holst van de nacht gedropt wordt tussen speelse house en bedwelmende digitale pop, kan overal terecht komen.

Een oud zeer: cultuurjournalisten oefenen meer dan ze zelf beseffen hun vak uit bij gratie van de hokjes die ze kunnen bedenken (of die marketeers hen behendig in het oor fluisteren). Daar zit een logica achter: ‘dancehall’ roept bij de gemiddelde lezer nu eenmaal meer op dan een technische beschrijving van de drumcomputer of een musicologische analyse van de beat-interval.

Af en toe zijn er evenwel artiesten die je eraan herinneren dat die labels alleen relatieve waarde hebben. Ga maar eens na hoe vaak ‘rock’ de voorbije 70 jaar voortdurend geherdefinieerd is. Ghost Culture — James Greenwood voor de vrienden — is er zo een: grossiert in analoge elektronica, maar hadden zijn ouders hem als kleine uk wat vaker een gitaar in handen geduwd, dan was-ie gewoon een begenadigd singer-songwriter geworden. Met donkere randen afgelijnde clubtracks of eigenzinnige pop; in handen van Greenwood lijkt het onderscheid voortdurend te vervagen.

Dat het keelgat van de Londenaar permanent een wasem van intimiteit uitstoot, helpt daarbij een heel eind. Greenwood gebruikt zijn stem spaarzaam; hij zalft waar anderen zouden slaan, hij fluistert waar anderen je een pak voor je broek zouden geven. Neem “Glaciers”, in feite een barokke popballad zoals ons eigen Balthazar die ook zou kunnen gemaakt hebben — en, for the record, ik hou immens van Balthazar. Vergelijk het met pakweg “Arms”, en merk dat zijn stem op hetzelfde, met satijn omfloerste timbre zweeft.

Ghost Culture is vooralsnog op zijn best in zijn meest elektronische capriolen. “Mouth” evolueert van abstracte elektronica à la Nicolas Jaar — druppels water die van een smeltende stalactiet op een kille drumpad neervallen — naar warme basbeats die een ijle zangpartij een duwtje in de rug geven. In de nachtelijke technogrooves van “Giudecca” of de loops in de vette clubtrack “Answer” echoën Caribou en Daniel Avery. Er zijn slechtere adelbrieven.

Waar het Ghost Culture evenwel nog aan ontbreekt, is het vermogen om de aandacht een hele plaat lang naar zich toe te zuigen. Telkens we aan de achtste — van de in totaal tien — songs komen, zijn we met onze gedachten al lang ergens anders. ’t Is nochtans niet dat “Lucky” geen stevig nummer is, maar we hebben het dan eigenlijk wel allemaal al een keer gehoord.

Aan talent ontbreekt het James Greenwood alleszins niet. Aan branie en durf evenmin. Als we eens een suggestie mogen doen: volgende keer misschien iemand anders dan labelbaas Erol Alkan achter de knoppentafel zetten. Ja, die kerel weet wat hij doet, maar het is toch ook alweer een hele tijd geleden dat-ie in de buurt van iets vernieuwends kwam. Enfin, ’t is maar een idee, gewoon omdat we benieuwd zijn tot waar Greenwood het kan schoppen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

17 + tien =