Meatbodies :: Meatbodies

Wie de recente zondvloed aan psychedelische rockbands bekijkt, zou haast een verplichte pauze willen inlassen, kwestie van de overdaad niet te veel te laten schaden en dergelijke goed bedoelende bands geen slachtoffer van hun eigen enthousiasme te laten worden. Voor In The Red Records’ nieuwste telg Meatbodies maken wij echter graag een uitzondering.

Wie het artwork van Meatbodies even bekijkt, zal trouwens mogelijk aan een andere recente rockplaat denken, namelijk aan Segalls Fuzz dat ongeveer een jaar geleden uitkwam. Toeval bestaat niet, want het artwork is namelijk van dezelfde artiest. Een belangrijk verschil met Fuzz is echter wel dat Segall nu maar een kleine rol vervult en dat het Chad Ubovich is die de rol van het opperhoofd vertolkt. Hij hielp zowel Ty Segall als Mikal Cronin als groepslid bij verschillende projecten en heeft een voorkeur voor Californische psychedelische rockbands als Thee Oh Sees, Bleached en Wand. Wat best aan het album te horen valt, want als er iets is dat Meatbodies bijzonder maakt, is het wel de afwisseling.

Het plaatje begint met niets meer dan gezoem in “The Archer” om met “Disorder” op zijn beurt de kaart van hypersnelle garagerock te trekken. In het goedje hoort u uiteraard veel psychedelica zoals het hoesje reeds laat vermoeden, maar eveneens een metal-inslag, met het gevolg dat de gedachte aan Segalls Fuzz nooit ver weg is. Dat verandert echter met “Mountain”, een nummer dat met het nerveuze ritme meer aan de bijwijlen horrorachtige rock-‘n-roll van Thee Oh Sees doet denken. Waarmee meteen bewezen is dat Meatbodies een eclectischere groep dan Fuzz is.

Een dergelijke eerste indruk wordt met “Him” alleen maar bevestigd, want in het nummer besluit Meatbodies vervolgens te experimenteren met verschillende zangstijlen, waardoor het album nooit hoeft te vervelen en naadloos richting tweede plaathelft raast. Hetzelfde kan men zeggen over “Tremmors”, dat meer als indierock klinkt, maar dat Meatbodies niettemin nog altijd met psychedelische blues weet te combineren. “Plank” klinkt dan weer luchtiger in zang, maar bekoort met kaleidoscoopachtige geluiden en indrukwekkende gitaarsolo’s net zo goed.

Voor het allerbeste blijft het echter wachten tot in de tweede plaathelft met “Wahoo”, een nummer dat de tegendraadsheid van een groep als Thee Oh Sees weet te combineren met klassieke bluesrock zoals we die bijvoorbeeld van Radio Moscow kennen. Het zijn natuurlijk beiden verdienstelijke subgenres van het psychedelische rockgenre, maar nog nooit hoorden wij ze harmonieus samen in één nummer. Niet dat we hiermee alles hebben gehad, want “Two” is dan weer een track waarin we zowel zijdezachte Beatlesiaanse meerstemmigheid, moderne indierock als indrukwekkende psychedelische gitaarsolo’s op het bord krijgen.

Zelfs hiermee is Meatbodies niet aan het einde van zijn Latijn. Met “Off” laat de groep nog eens een hyperkinetische versie van zichzelf horen, terwijl we de combo met “Dark Road” net horen imploderen tot het singersongwriterschap dat we van Segall-platen als “Manipulator”, “Sleeper” en “Twins” gewoon zijn. Dat een dergelijk nummer een weinig betekenisvolle afsluiter voor het veelgelaagde Meatbodies zou zijn, heeft de groep gelukkig echter goed begrepen, en dus mag u in de slotminuten nog even genieten van “The Master”, een nummer dat rustig singersongwriterschap combineert met een grungy inslag, maar evenmin het psychedelische schuwt.

Dat Meatbodies goed is voor een duizelingwekkende trip door een aantal hoeken van wat het rock-‘n-roll-wereldje momenteel te bieden heeft, is bij afloop wel duidelijk. In een tijdperk waarin grote namen als The Brian Jonestown Massacre, Thee Oh Sees en White Fence hard hun best doen om de wetten van het psychedelische rockgenre te herschrijven, voegt het kersverse Meatbodies daar nog even een heel verdienstelijke bijdrage aan toe. Prachtig toch?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × 3 =