Bryan Ferry :: Avonmore

Zoveel stijl in één mens, het zou bij wet verboden moeten worden. Zoveel succes bij de vrouwen ook. Zowat elk fotomodel dat ooit een hoes van (nu officieel wijlen) Roxy Music of Bryan Ferry sierde, belandde daarna in bed met deze Gentleman Extraordinaire. Een van de uitzonderingen op die regel is Kate Moss, die vier jaar geleden de potentiële koper mocht proberen te overtuigen om Ferry’s vorige studioalbum, Olympia, mee naar huis te nemen. Ditmaal is het een jongere Ferry zelf die op de hoes van Avonmore prijkt. Niet alleen de naam, maar ook het lettertype en de kleur, doen behoorlijk denken aan de vervlogen tijd van Avalon, toch nog steeds een dijk van een plaat. Benieuwd of de muziek ook van hetzelfde kaliber is. De status die Ferry nog steeds geniet, valt alvast vlotjes af te lezen aan de resem gastmuzikanten die hun bijdrage hebben geleverd: Marcus Miller, Johnny Marr, Nile Rodgers … En het rijtje gaat nog een tijdje voort.

Aan het productieroer vinden we wederom Rhett Davies terug, een oude getrouwe van Ferry en een onmisbaar ingrediënt van diens sound. Opener “Loop De Li” heeft niet lang nodig om de herinnering aan Avalon nog te versterken. Saxofoon, funky rhythm-gitaarlicks, shakertjes, die typerende synthklanken, een vrouwenkoor en ga zo maar door. De man heeft opnieuw gezorgd voor een knaller van een opener, zowat het enige waar voorganger Olympia echt in uitblonk.

Dat scenario lijkt zich helaas te herhalen wanneer “Midnight Train” begint, en daarbij het decor wel erg weinig verandert. Doe voor uzelf eens de test: laat “Loop De Li” even op gang komen en skip dan voort naar nummer twee. Een geluk dat het refrein nog verschilt. “Soldier Of Fortune” tracht het over een andere boeg te gooien, met een kalere productie en een meer country vibe. Een verdienstelijke poging, maar het nummer lijkt niet helemaal te willen passen in de omgeving. De skip-knop riskeert al snel aangesproken te worden.

Voor zij die twijfelen of Ferry überhaupt nog wel in staat is om met klassewerk over de toonbank te komen, is het vooral “Driving Me Wild” dat zijn naam alle eer zal aandoen en de toerenteller in het rood zal sturen. Wat een emotie in zijn stem! Wat een perfect arrangement! Wat een drive! Een feilloos parcours van de eerste tot en met de laatste noot. Meer van dat.

Er mag ook al eens geballadeerd worden. “A Special Kind Of Guy” weet helaas weer weinig te overtuigen. De muziek is op het kleffe af en ook Ferry lijkt niet bepaald geboeid door zijn eigen tekst. Dat goedkope pianolijntje tijdens de bridge maakt de situatie er niet beter op. Ook het titelnummer doet wenkbrauwen fronsen met zijn stuwende beat die het fundament vormt van een arrangement dat niet goed schijnt te weten waar het juist naartoe wil. Tijdens het refrein pakt de mayonaise wel, maar daarbuiten komt de muziek onbeslist over en lijkt Ferry nog te zoeken naar de juiste manier om zijn tekst te leveren. Toegegeven dat “Avonmore” een erg aardige titel is, maar dat is dan ook het enige dat echt noemenswaardig is aan dit nummer.

Het aanbod aan acht nieuwe eigen nummers wordt afgesloten met een tweede ballade, “Lost” (met Mark Knopfler op gitaar!), dat de slechte nasmaak van haar zusje grotendeels weet weg te spoelen, en een laatste nummer dat wederom zo uit Avalon lijkt weggelopen, “One Night Stand”. Het valt toch op dat Ferry ontegensprekelijk op zijn best is wanneer hij deze toer opgaat. De muziek heeft schwung, is zwoel en hijzelf klinkt als een doorwinterde vrouwenzot die zijn tanden wil scherpen aan een nieuw slachtoffer. Pure, smetteloze klasse.

Over het algemeen valt op dat Bryan Ferry’s stembereik duidelijk lijdt onder zijn vele jaren. De man lijkt ook de hele tijd te fluisteren: bij momenten is dat wel geestig (crf. “Lost”), maar de godganse tijd hoeft nu ook weer niet. Bovendien durft dat wel eens te vloeken met de achtergrondbeats. Bij momenten lijkt het wel alsof het gebrek aan wat hij met zijn stem nog kan, net wordt opgevuld met allerlei frutsels die de nummers alleen maar nodeloos druk maken. Het is dan ook frappant dat uitschieters als “Driving Me Wild” en “One Night Stand” net nummers zijn waarop hij weleens hoger gaat en niet constant zit te fluisteren.

Het album sluit af met twee covers: eentje van Judy Collins’, “Send In The Clowns”, en tot slot het iconische “Johnny And Marry” van Robert Palmer. Beide nummers mogen er zeker zijn, en dan vooral die eerste die werkelijk totaal verschilt van het origineel en de term “cover” (als in: herinterpretatie) alle eer aandoet.

Geen totale flop dus, deze nieuwe van Ferry, en sowieso een hele verbetering op Olympia, maar na streng doch rechtvaardig het kaf van het koren te hebben gescheiden, blijft nog slechts de helft van het album overeind. Die is dan weer wel van onberispelijke topklasse. Net zoals de man zelf. Er zijn dan toch nog zekerheden in het leven.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zes + acht =