Pere Ubu :: Carnival Of Souls

En de troepen van David Thomas, ze ploegden voort. Na een parcours van bijna veertig jaar zit er voor Pere Ubu niks anders meer op dan z’n ding te blijven doen. Meer dan een handvol trouwe volgelingen wordt daar vermoedelijk niet mee aangesproken, maar die aanhang is dan ook volgzaam met reden. Van gemakzucht of middelmaat valt de band nog steeds niet te verdenken. Meer nog, studioplaat #17 is een topper en misschien wel het beste dat de band uitbracht sinds St. Arkansas uit 2002.

Het doet deugd als een band, die eigenlijk net zo goed kan teren op verworvenheden van het verleden (en een paar jaar geleden ook even de hort op was met een tour rond debuutalbum The Modern Dance), z’n eigen weg gaat. Of het nu gaat om het uitvoeren van een van de pot gerukte opera (Long Live Pere Ubu), een navenante performance met visuals van de geniale Brothers Quay of het door film geïnspireerde parcours dat de band vandaag volgt, inspiratie blijft het sleutelwoord. Dat en eigenzinnigheid, want de artistieke troeven, idiosyncratische tics en markante eisen van de band blijven uniek. Hun website is nog altijd een kluwen van terechtwijzingen, obscure essays en gortdroge instructies à la “Light comes mostly from above not from below. A handy tip to keep in mind is that the sun is up”. Net als de redelijk demente stijl en présence van voorman David Thomas, ongetwijfeld een van de raarste kwieten die ooit besloot achter een micro te gaan staan.

Hoewel de huidige kern van de band al een hele tijd ongewijzigd is – gitarist Keith Moliné, bassiste Michele Temple, drummer Steve Mehlman en analoge synthspecialist Robert Wheeler – heeft de band toch wat verrassingen in petto. Extra elektronicaman Gagarin neemt nog altijd het digitale werk voor z’n rekening, maar opvallend is de komst van de Britse klarinettist Darryl Boon, die de zevenkoppige formatie tot de grootste Pere Ubu-bezetting uit de geschiedenis maakt. Dat zorgt er ook voor dat het geluidspalet breder dan ooit is en Carnival Of Souls, dat geïnspireerd werd door de gelijknamige B-film uit 1962, een uitwerking krijgt die de meest hechte bandprestatie van het decennium moet zijn.

De band in woorden vatten, is een heikele zaak. Er zijn wel een aantal constante factoren – het theatrale van Thomas, de gierende en schurende EML-synth van Wheeler, het neodadaïstische circus dat er soms van gemaakt wordt, de referenties aan vroege psych- en garagerock en noir literatuur –, maar ondanks die zeer specifieke inspiraties kan het bij de eerste beluistering een samenraapsel lijken. Toch loopt er door deze plaat een rode draad en een cohesie die aanhoudt van de razende opener “Golden Surf II” tot het zwalpende slothoofdstuk “Brother Ray”. Het laatste nummer is ongetwijfeld een Velvet Underground-verwijzing en tevens een hoorspel dat zelfs in het universum van Pere Ubu opvalt door z’n eigenzinnigheid.

Met “Golden Surf II” gaat de plaat dus verschroeiend van start. Het is noisy, schurende, directe, repetitieve rock-‘n-roll, met gierende EML, slavenritmes en een mechanische drive die haast herinnert aan de hysterische industrial van een Ministry. Rechtlijnig tot en met, maar dat is natuurlijk maar een rookgordijn, want het gekweel van Thomas zet alles al snel op z’n kop en de neonoiruitweidingen verglijden al snel in minder agressieve, maar even onherbergzame muzikale zones. Zo beland je na het stevig erin hakkende “Drag The River” bij “Visions Of The Moon”, waarin de combinatie van orgelklank en lyrische klarinet haast naar kamermuziekregionen dreigt te schuifelen. Verderop, bij “Dr. Faustus”, is de rock-‘n-roll-syntax van de opener compleet ontmanteld. Hier heerst een theater van theremin, percussief gerammel en een raadselachtige vertelling op samenzweerderige toon.

Daarna krijg je opnieuw allerlei combinaties van stijlen en geluiden, de ene al meer onthutsend dan de andere. Het met de grens van een zenuwinzinking flirtende “Bus Station” wentelt rond met een onweerstaanbaar catchy ritme dat al net zo makkelijk onder de huid kruipt als “Slow Walking Daddy” op St. Arkansas. Dat terwijl het spookverhaal “Road To Utah” en het erop volgende “Carnival” rondhangen in zones met tribale ritmes, akelige orgeltjes en een soort van kille combinatie van postpunk en americana die een complete ineenstorting van de systemen lijkt aan te kondigen. Een opmerkelijk contrast met de pseudoballade “Irene”, die pervers knipoogt naar Leadbelly en de weg bereidt voor de donderpreek-op-unheimliche-backing-track die “Brother Ray” is. Niet helemaal goed genoeg om die twaalf minuten te rechtvaardigen en geen instant klassieker van het kaliber van “Dark”, maar wel goed genoeg om verwarring te zaaien.

39 jaar na z’n oprichting is Pere Ubu nog altijd zijn eigen belangrijkste referentie. Wie er nooit een bal van begreep (wat eind jaren zeventig en begin jaren tachtig toch iets meer voor de hand lag dan tijdens de latere periodes), die kan deze kelk ook nu laten passeren. De rest heeft intussen vermoedelijk al vastgesteld dat Carnival Of Souls een Pere Ubu van een uitstekend jaar is.

De band speelt op 30/1 in de N9 (Eeklo). En dan nog deze informatie van de band zelf: “The cd and vinyl releases are slightly different. The vinyl release does not include the song ‘Brother Ray.’ The cd release does not include the five ‘Strychnine Interludes.’ The reason is straight-forward: ‘Brother Ray’ is twelve minutes long and would not fit on the vinyl without serious fidelity compromises. (LP sides much over eighteen minutes in length are not possible without consequences.) Keith Moliné came up with five minute-long pieces he conceived as links between songs. These were added to the vinyl running order.”

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 × drie =