Rocket From The Tombs :: Barfly

De kans dat brallende anarchopunks die het vestimentaire carnaval in stand houden van Rocket From The Tombs gehoord hebben, of bereid zijn om hen een plaatsje te geven in het punkverhaal, lijkt zo goed als onbestaande. Toch was deze band een essentiële schakel in de ontwikkeling van het genre, al zou hij vooral een andere band op gang brengen die het experimentele muzieklandschap voor eens en altijd zou veranderen. Maar liefst 37 jaar (!) na z’n geboorte pakt ook de oerband uit met een eerste échte studioplaat.

Het verhaal van Rocket From The Tombs wordt uitgebreid uit de doeken gedaan in Clinton Heylins essentiële From The Velvets To The Voidoids, dat aantoont dat de punkgolf van de tweede helft van de jaren zeventig voorbereid was vanuit verschillende hoeken. Het gezelschap leidde slechts een kortstondig bestaan midden jaren zeventig en zou vooral bekend worden door de bands die de leden daarna vormden: punkband The Dead Boys en avant-rockband Pere Ubu. Ging die eerste band nog aan de haal met RFTT-songs als “Ain’t It Fun” en “Sonic Reducer”, dan deed de tweede hetzelfde met o.a. “Life Stinks” en het magistrale “30 Seconds Over Tokyo”.

Jarenlang bleef het stil rond de band, tot in 2002 een plaat met live- en demo-opnames verscheen (The Day The Earth Met The Rocket From The Tombs) en twee jaar later nieuwe opnames van oud materiaal (Rocket Redux). Nieuw materiaal kwam er echter nooit van, tot nu. Barfly balanceert daarbij netjes op de grens die tussen The Dead Boys en Pere Ubu te trekken valt, met een handvol vrij eenvoudige, iets te gladgestreken garagerocksongs, maar dan voorzien van het obsessieve gekweel van Thomas, en anderzijds een paar stukken die nauw aansluiten bij het toegankelijkste van Pere Ubu.

De line-up is voor drievijfde die van 1974, met naast Thomas op zang ook nog Cheetah Chrome op guitar en Craig Bell op bas. De bezetting wordt vervolledigd door Ubu-drummer Steve Mehlman en voormalig Television-gitarist Richard Lloyd, die de in 1977 overleden Peter Laughner vervangt. Dat suggereert dat de plaat een niet te versmaden lekkernij voor gitaarfanaten had kunnen worden, maar zo ver is het niet gekomen. Hoewel het spel over de hele lijn geslaagd is, beperkt het vijftal zich doorgaans tot het hoogstnodige, met compacte songs die het geheel maar over een goed half uur trekken.

Het jachtige “I Sell Soul” is een prima binnenkomer en de eerste in een reeks van no-nonsense garagerocksongs, met ook “Anna”, de Detroitrock van “Maelstrom”, waarin de echo’s van The Stooges duidelijk te horen zijn, en het schuddende, met trompet opgeluisterde “Sister Love Train”. Die laatste wordt dan nog eens in licht gewijzigde vorm hernomen in het erop volgende, en daardoor eerder overbodige “Love Train Express”. De band is echter op z’n best als het tussen de werelden van primitivisme en experiment balanceert, zoals in het van een perverse ondertoon voorziene “Birthday” en de verwrongen emoballade “Romeo & Juliet”.

Best van al is echter het met gitaareffecten volgestouwde “Six And Two”, een broeierig stuk dat nog eens doet denken aan noir obsessie en dat eindelijk het gitaarwerk even naar de voorgrond duwt. Lloyd kringelende solowerk gaat er een prachtig verbond aan met dat van z’n collega. Jammer dat er zo niet meer in zit. Of anders gezegd: hier had gewoonweg meer in gezeten. Dat Barfly z’n tijd niet vooruit is zoals het oude werk dat was, is een vanzelfsprekendheid, maar het album had net iets meer en rauwer mogen pieken. Moeten pieken. Geen tegenvaller, maar ook geen cruciale aanwinst of klinkende comeback. Een degelijke plaat met een paar uitschieters. Helaas verschijnen er zo elke maand een paar dozijn.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

elf − een =