Pere Ubu :: 13 mei 2011, Botanique

Of The Modern Dance (1978) de beste Pere Ubu is, daar valt over te discussiëren (bij velen, inclusief ondergetekende, staat Dub Housing bovenaan het lijstje), maar dat het een debuut is dat destijds aardig wat onvoorbereide luisteraars verward moeten hebben en nog steeds indruk maakt, is een vaststaand feit. Drieëndertig jaar na release komt de band, die nog steeds garant staat voor een ongewone concertervaring, dat oude werk nog eens afstoffen met Pere Ubu perform ‘The Annotated Modern Dance’.

Een band als Pere Ubu doet je beseffen dat er vaak te lichtzinnig omgesprongen wordt met adjectieven. Hadden begrippen als pakweg ‘melancholisch’ en ‘jazzy’ oorspronkelijk een zuiver beschrijvende functie, dan zijn ze binnen de rockjournalistiek nu compleet uitgehold en gelden ze als waardeoordelen (rest enkel nog de vraag waarom niemand naar jazzconcerten gaat, de zomerfestivals even buiten beschouwing gelaten), aanprijsinstrumenten of makkelijke labels. Idem voor ‘origineel’, een begrip dat je pas zou mogen gebruiken als je Pere Ubu aan het werk gezien hebt. Van de verwarrende muziek – een expliciet kunstzinnige poging om popcultuur te verenigen met avant-garde, experimentele bombast en dadaïsme – tot de performance van David Thomas, die enkel nog Ozzy Osbourne en Oxbows Eugene Robinson naast zich moet dulden in het pantheon van gestoorde frontlui: het is elke keer weer verschieten en genieten.

Om 20.15u wandelden David Thomas en gitarist Keith Moliné het podium op en ze begonnen zowaar aan “30 Seconds Over Tokyo”, in 1975 de eerste single van de band en nog steeds een van de onbetwiste hoogtepunten uit hun carrière én de experimentele rock en een blauwdruk voor veel van hun latere songs, met de typisch psychotische zang van Thomas, de merkwaardig claustrofobische sound en een constant gevoel van industriële dreiging. Thomas mag dan wel regelmatig grappen dat z’n songs in essentie love songs zijn, het zijn ook commentaren op mens, machine, kunst en maatschappij, maar dan vormgegeven via absurd theater en gierende, hortende en stotende artrock.

Die Thomas was trouwens erg goedgeluimd. Verdwenen was de hufterige agressie van een paar jaar geleden, toen hij stoelen omver schopte en z’n bandleden uitkafferde. Deze versie, die trouwens ook een dertigtal kilo lichter was, lalde de songs aan elkaar met grappige anekdotes, flauwe/mislukte moppen en zelfrelativerende onzin, nu en dan nippend van die onvermijdelijk hip flask. Eerst speelde de groep z’n klassieke Hearpen-singles, met een bot stompend “Final Solution” (duidelijk geënt op “Summertime Blues”) en een catchy “Heaven”, dat volgens Thomas een halve carrière bezorgde aan Davyd Byrne, wat hij illustreerde met de hoekige dansjes van zijn generatiegenoot. Daarna speelde de band The Modern Dance, integraal en chronologisch, van de rauwe punk van “Non-Alignment Pact” tot de uit de hand gelopen grap van “Humor Me”.

Het viel op dat grote stukken uit die plaat nog steeds verrassend eigenzinnig klinken. Met z’n tegendraadse combinatie van traditie en radicale kunst had Pere Ubu van in z’n begindagen een unieke sound en meer dan drie decennia later is die nog steeds intact. Wat is “The Modern Dance” anders dan “Wipeout” van The Surfaris met een kwelende halvegare op gang? Vreemd genoeg waren het niet de verwachte/energieke kleppers als “Street Waves” en “Life Stinks” die het hoogtepunt vormden – ze klonken wat rommelig (net als “Chinese Radiation”, dat een beetje de mist in ging) en Thomas is met z’n gewicht ook een manisch trekje kwijtgespeeld dat de songs een niveau hoger tilde -, maar songs die constant flirten met kakofonie, zoals “Laughing”, “Real World” en vooral “Over My Head”, met z’n minimalistische dreiging en abrupte explosies.

Drummer Mehlman vormde naar goede gewoonte een gedreven ritmsectie met Michele Temple, gitarist Moliné kon zich uitleven met z’n gebroken, noisy gitaarpartijen en knopjesdraaier Robert Wheeler voerde een bezwerende paringsdans uit met z’n theremins en draaidoosjes. Thomas slofte rond, vertelde z’n verhalen en voerde z’n show op van jengelende idiot savant en intellectuele zuipschuit. Het blijft een merkwaardige magneetfiguur, al miste hij de angstaanjagende bezetenheid die veel van z’n vorige passages zo memorabel maakte. Na goed zeventig minuten zat het erop, al keerde de band terug en met The Modern Dance achter de rug was niets logischer dan ook werk maken van dat tweede album, Dub Housing.

Heel even leefde de hoop dat ze die er ook integraal door zouden jagen, maar het bleef bij het geschifte kwartet “Navvy”, “Dub Housing”, “Caligari’s Mirror” en “I Will Wait”, dat de set afrondde met een energiek hoogtepunt. Overdonderend was deze passage zeker niet, daarvoor voelde het soms net iets te veel aan als een doordeweekse programmashow, maar het was wel een goeie herinnering: Pere Ubu is een van de meest unieke en coole bands uit de rockgeschiedenis, essentieel in de ontwikkeling van de postpunk en een knaller van formaat binnen de avant-garde rock. Op naar studioplaat #15.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

7 + 9 =