Mostly Other People Do The Killing :: Blue

In 2014 ontploften een paar ophefmakende bommetjes in Jazzland, maar geen enkel evenement overtrof de release en (vooral) de verhitte discussies over het recentste en achtste album van de bende vrijbuiters genaamd Mostly Other People Do The Killing (MOPDTK). Gingen ze zich op vorige albums al te buiten aan allerhande ongein en metatekstuele spelletjes — weliswaar uitgevoerd met een imponerende controle en virtuositeit — dan gaan ze nu nog een paar stappen verder. Voor velen is dat duidelijk veel te ver.

In 2014 voert het kwintet onder leiding van Moppa Elliott immers een idee uit dat de bassist al koesterde sinds 2002 en waar hij een paar jaar aan werkte: een ‘exacte’ kopie van Miles Davis’ legendarische album Kind Of Blue. Noot voor noot naspelen. En dat dus met het meest bejubelde, gecanoniseerde en (vermoedelijk) best verkochte album uit de jazzgeschiedenis. Dat feit alleen al leidde ertoe dat in de jazzwereld vele fans, maar vooral ook muzikanten, steigerden. Terwijl de ene collega geamuseerd analyseerde, was deze wandaad voor de ander moeilijk te verkroppen. Dit verraad werd nergens zo bloemrijk beschreven als op het immer kort door de bocht vliegende Facebook:

 

Als er iets over te zeggen valt, dan is het wel dat de heftigheid waarmee met de vinger gewezen wordt buitenproportioneel is. Nu ja, Gus Van Sant werd ook verketterd toen hij Hitchcocks Psycho ging herhalen (en niemand gaf dan weer een bal om Camper Van Beethovens behandeling van Fleetwood Mac-album Tusk, zelfs Camper Van Beethoven niet, zo willekeurig klonk het soms). Hoewel er zeker iets voor te zeggen valt dat MOPDTK erop uit is te provoceren, hoeft dat niet te betekenen dat het hier gaat om cynisch winstbejag of goedkoop scoren. Wie ook maar een beetje vertrouwd is met het werk van Moppa Elliott, Peter Evans, Jon Irabagon, Kevin Shea en de sinds Red Hot (2013) aan de band toegevoegde pianist Ron Stabinsky, weet dat deze muzikanten te getalenteerd en veelzijdig zijn om afgedaan te worden als charlatans met een neus voor commerciële uitbuiterij. Wat is in godsnaam dan het probleem?

De kern van de zaak is natuurlijk dat MOPDTK raakt aan de essentie van de jazz: de improvisatie, het hoogste goed van de individuele expressie. Hoewel het element van de compositie bijna altijd deel heeft uitgemaakt van de jazzaard, zowel binnen de opleidingen als het concertgebeuren, staat het geïmproviseerde element vaak op de voorgrond. Voor de ene is het een onderdeel van het genre, voor de ander wordt het ertoe gereduceerd. En dan komt inderdaad de zinloosheid van het project naar boven. Kind Of Blue, een meesterwerk van de (modale) jazz, werd bepaald door een aantal schetsen, maar improvisatie was er een integraal deel van. Andermans uitvinding van het moment naspelen is inderdaad ridicuul.

Om een kopie in elkaar te steken van dergelijk album heb je natuurlijk wel getalenteerd volk nodig en MOPDTK kwijt zich met klasse van de taak. Zet dit op terwijl een nietsvermoedende jazzliefhebber in je zetel zit en die zal goedkeurend knikken. “Aahh, Kind Of Blue, uitstekend.” Zelfs iemand die erg vertrouwd is met het album zal misschien misleid worden. De aandacht die de muzikanten in hun act staken, is immers buitengewoon. Vooral de manier waarop Evans (als Miles Davis) en Jon Irabagon (die — van een uitdaging gesproken! — de rollen van Cannonball Adderley én John Coltrane op zich neemt) erin slagen om hun voorgangers op te roepen, is ronduit verbluffend. Maar hoezeer je ook je best doet: je zal er nooit in slagen om een perfecte replica te maken. Daar is de band zich ook bewust van. Ondanks die letterlijke herhaling mis je trouwens wel iets van het bruisende van het origineel, iets klein maar essentieel, zeker als je geconcentreerd gaat luisteren. Blue klinkt cleaner en onpersoonlijker dan Kind Of Blue, mist sprankeling. Omdat de flair van de pure creatie ontbreekt? De achtergrond van de blues? De ‘Afro-American experience’? De spontaniteit of de swing? Het kan eender wat zijn.

Het boeiende — en dat is duidelijk iets waar heel wat luid brullende naysayers aan voorbij gaan — is dat het best wel een legitieme manier is om ideeën over originaliteit, improvisatie en individualiteit ter discussie te stellen. De vijf van MOPDTK kunnen immers een zo goed als volmaakte weergave brengen van Kind Of Blue (gesteld dat hun notatie perfect is, wat ze zélf ook betwijfelen), maar het zal nooit helemaal hetzelfde zijn. Het zal zelfs geen jazz zijn. En het zal eigenlijk overbodig zijn. Alle goede muzikanten, en zeker de iconen van het genre, zijn er immers in geslaagd om op hun instrument een unieke stijl te ontwikkelen die terug te voeren is tot de bouwstenen van de muziek: klank, timbre, etc. Dat kan je niet repliceren. Met dat gegeven in het achterhoofd is het natuurlijk al een heel andere opdracht om de albums naast elkaar te leggen.

Na een grondige vergelijking zal je waarschijnlijk een resem verschillen vaststellen in de ‘details’ (die voor sommigen misschien net fundamenteel zijn). Meer dan een halve eeuw later dan het oorspronkelijke sextet hebben de muzikanten van MOPDTK vanzelfsprekend een andere bagage en achtergrond. Dat de band als liner notes een kortverhaal gebruikt van Jorge Luis Borges (“Pierre Menard, Author Of The Quixote”) had natuurlijk ook een hint kunnen zijn. In dat verhaal geeft de auteur commentaar op de schrijver Pierre Menard, die erin geslaagd was om hoofdstukken uit de legendarische roman van Cervantes letterlijk te recreëren, maar tegelijkertijd zijn versie een subtiliteit en diepgang meegeeft die het origineel ontbeerde. Een klassiek en absurd staaltje van metatekstueel puzzelwerk, maar het zegt ook veel over het verschuiven van waarden en interpretaties. En misschien ook wel over goedgelovigheid en/of domheid van critici.

Dat is iets waar helaas aan voorbijgegaan werd, waardoor velen amper oor hadden naar de intenties van de band — daarvoor kan je o.m. terecht bij dit interview op Popmatters — en op 16 oktober zelfs dit verscheen op de Facebookpagina van Miles Davis:

Maar het album gaat eigenlijk nog een stuk verder dan het ter discussie stellen van begrippen als originaliteit en improvisatie. Het is verleidelijk het ook te zien als een commentaar op een tendens die de Amerikaanse jazz (en zeker de mainstream beeldvorming ervan) de voorbije jaren deels bepaald heeft. Vanuit het Lincoln Center, een zwaar gesubsidieerd orgaan waarin artiesten als Wynton Marsalis veel in de pap te brokken hebben, wordt immers al jaren gewerkt aan het construeren van een ideaalbeeld van jazz, een definiëring van het genre, die vooral geplaatst wordt in een Afro-Amerikaans kader en erop uit is het genre z’n lang ontzegde waarde toe te kennen. Op zich een nobel streven, maar uiteindelijk ook een erg nauwe visie: door te bepalen wat jazz is (en dan ook nog eens in die enorm eenzijdige visie die je ook gepresenteerd kreeg in Ken Burns’ populaire documentairereeks), bepaal je ook wat jazz niet is, creëer je een wij/zij-denken en breng je eindeloze discussies en nutteloze welles/nietes-gelul op gang.

Waar het die gemeenschap ook om te doen is, is de erkenning van jazz als Amerika’s eigen ‘klassieke muziek’, een kunstvorm die het verdient om op gelijke hoogte gesteld te worden met de geïnstitutionaliseerde Europese traditie. Maar die canonisering heeft natuurlijk ook daar gevolgen. Blue kan je misschien ook zien als een poging om jazz te interpreteren als klassieke muziek: leg die improvisatie vast in een notatie en laat muzikanten die partituur spelen. Natuurlijk is een uitvoering van een klassiek stuk door een degelijk orkest ook meer dan zomaar een slaafse uitvoering — het is altijd een interpretatie — maar het is duidelijk dat MOPDTK er op uit is om een genre dat zweert bij improvisatie, maar vaak ook niet verder geraakt dan ingestudeerde en al lang kapotgespeelde licks en tics, een hak te zetten.

Het meest schrijnende is dat het kwintet zelfs uit eigen hoek — die van de eerder experimentele jazz — behoorlijk wat tegenwind kreeg. Heel wat muzikanten zagen er de humor niet van in of gaven mee dat de grap enkel goed geweest zou zijn als ze er daadwerkelijk in zouden slagen om een identieke kopie te presenteren (maar daarvoor zouden enkele leden het talent ontberen). Dat maakt van Blue echter geen minder fascinerende plaat. Het is onwaarschijnlijk dat iemand het album regelmatig zal opleggen — het blijft immers een kopie van een plaat die dat niet nodig heeft — maar als conceptuele uitdaging, of als intellectuele denkoefening, is dit een project dat even zinloos als geniaal is. En als we het succes van conceptuele kunst zouden afmeten aan de manier waarop het de gemoederen doet opleven (om ook even kort door de bocht te gaan) en discussies op gang brengt, dan zou dit wel eens een van de belangrijkste jazzalbums van zijn tijd kunnen zijn.

Ten slotte was er ook nog het verwijt dat het de band vooral te doen was om het geld. Het GELD. Nogal goedkoop (pun intended), want ten eerste overschat je niet alleen het commerciële potentieel van de band (het blijft iets uit de marge, met navenante verkoopscijfers), maar ook de kans dat er op een later tijdstip nog geld uit geklopt wordt. Het lijkt immers niet erg waarschijnlijk dat er een Blue-tour gaat komen. Zopas verscheen trouwens ook nog dit bericht op de website van bandleider Moppa Elliott: “I would like to clear up one of the major misconceptions concerning the album “Blue”. This project was entirely financed by me and was never done for monetary gain. I would like to announce that I will be donating all of the proceeds from the sale of this recording to the Coalition to Stop Gun Violence and VH-1 Save the Music. I hope that “Blue” encourages people to discuss what they feel is important about music and culture and to take action to ensure a vibrant future for the music we all love.”

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

16 − drie =