Ideal Bread :: Beating The Teens: Songs Of Steve Lacy

Het kwartet Ideal Bread is een van de weinige bands binnen de vrije(re) jazz die zich helemaal toeleggen op het uitvoeren van het werk van één muzikant/componist: Steve Lacy. Gebeurde dat op vorige platen The Ideal Bread (2008) en Transit (2010) op een vrij traditionele manier met veel respect voor het bronmateriaal, dan laat album #3 een heel andere aanpak horen, met een diverse, onvoorspelbare en soms behoorlijk opwindende achtbaanrit tot gevolg.

Ideal Bread koos een boeiende figuur om zich op te concentreren: Steve Lacy (1934-2004) was immers ook een muzikant die zich specialiseerde in het werk van een voorganger (Thelonious Monk), maar was daarnaast eveneens een van de markante figuren van de moderne jazz. Hij begon na een opleiding binnen de dixie-jazz met een vrij traditionele aanpak, was zowat de eerste om zich exclusief toe te leggen op de sopraansax en verschoof geleidelijk naar het experiment. Vanaf het midden van de jaren zestig, toen Lacy in contact kwam met de Europese avant-garde, leek niets nog onmogelijk. Hij putte inspiratie uit de moderne klassiekers, werd een van de grote soloperformers van de improvisatie en liet z’n stempel na als muzikant, bandleider en componist.

Bandleider/baritonsaxofonist Josh Sinton, die samen met kornettist Kirk Knuffke, bassist Reuben Radding en Thomas Fujiwara al zorgde voor een paar knappe en redelijk getrouwe opnames, wou losbreken van die aanpak. Daarvoor wendde hij zich tot de vijf albums (Roba, Lapis, Scraps, Dreams en The Owl) die Lacy tussen 1969 en 1977 opnam voor het Saravah-label (en die nu nog te vinden zijn op de 3cd-set Scratching The Seventies/Dreams), in een periode die misschien wel de meest creatieve van zijn leven was. Sinton transcribeerde alle composities, maar zorgde voor ingrijpende (re-)arrangementen, die soms sterk verschilden van de originele versies. Dankzij een Kickstartercampagne zijn al die interpretaties nu terug te vinden als dertig (!) tracks op deze dubbelaar, waarvan enkel “The Uh Uh Uh” al eerder opgenomen werd.

Het vergelijken van de oorspronkelijke versies met deze nieuwe interpretaties kan niet anders dan een geweldige uitdaging zijn voor Lacy-fanaten (en zo zijn er nogal wat). De sopraansax van de meester wordt niet enkel vervangen door Sintons ronkende baritonsax (die hij hier en daar laat uitpakken met een imponerende furie), maar ook helemaal gegoten in arrangementen voor zijn kwartet, waarin Radding werd vervangen door Adam Hopkins. Opmerkelijk, want Lapis was immers een soloalbum, terwijl geen van de andere platen — waarop vaste klanten als Steve Potts, Jean-Jacques Avenel en Lacy’s vrouw, zangeres Irène Aebi, opdoken naast gasten als Derek Bailey en Lawrence ‘Butch’ Morris — daarna dezelfde bezetting kende. Op The Owl kreeg je zelfs een octet aan het werk horen.

Opmerkelijk is ook dat Sinton zich voor zijn herwerkingen niet enkel liet inspireren door het werk van de meester, maar de meest uiteenlopende invloeden toont, van Iggy Pop en Fugazi tot AMM en Henry Threadgill. Dat heeft ook een weerslag op de stijlen die hier door elkaar gegooid worden: het ene moment hapt het allemaal lekker weg in de (vrijere) jazztraditie, maar er worden ook stukken op hun kop gezet, binnenstebuiten gekeerd met extended techniques of op stang gejaagd met een wilde energie die rechtstreeks uit de punk lijkt te komen. Midden in “The Oil” wordt er zelfs Ramones-gewijs afgeteld. En zo passeren die dertig stukken, waarvan zowat de helft tussen 2 en 4 minuten blijft steken, met een enorme vaart.

De aanloop van de eerste cd laat meteen al die verscheidenheid horen: de eerste van vier versies van “Three Pieces From Tao” kiest voor een radicaal vrije aanpak, terwijl het erop volgende “Obituary” rondstruint met de vingerknip. Vervolgens krijg je een stilistisch amalgaam te horen, met tactieken uit de avant-garde (“The Precipitation Suite”), vet pompende rockjazz (“Wish”), kamermuziek (“Lesson”) en wild om zich heen schoppende furie (“The Wire”), waarin Sinton herinnert aan het gespierde gescheur van een Gustafsson. Dat doet hij ook nog eens over in het fantastische “Lapis”, waarin het een schizofrene verhouding aangaat met dansende en repetitieve patronen.

En zo weigert Beating The Teens om zich te laten vastpinnen op één stijl of aanpak. Wordt er het ene moment nog fijnbesnaard geëxperimenteerd met z’n vieren, dan zijn er ook volop van die korte individuele schittermomenten waarin deze vier hun expertise volledig kunnen botvieren. Aan hoogtepunten dan ook geen gebrek. Zo is de combinatie van het knap uitgewerkte “The Wane” en het gracieuze “Dreams” een van de mooiste een-tweetjes op het album, zijn “Blinks”, “Paris Rip-Off” en “The Owl” compacte en catchy brokjes jazz die er makkelijk ingaan, en zorgen parallelle stukken “Cryptosphere(s)” (achtste track op cd 1) en “Cryptosphere” (achtste track op cd 2) voor geinige momenten van anarchie als duidelijk wordt dat de muzikanten loos gaan tegen een opname van hun eigen muziek op de achtergrond.

Het is duidelijk: Beating The Teens is wat er gebeurt als een stel getalenteerde muzikanten de ketens van zich afwerpt. Het bronmateriaal is er nog, maar het wordt de ene keer al wat getrouwer uitgewerkt dan de andere. Vermoedelijk blijft er hier en daar weinig meer over van Lacy’s intenties, maar het lijdt geen twijfel dat die het allemaal erg amusant zou gevonden hebben. Door het zeer eclectische parcours en een totale duur van een goeie twee uur zal een aandachtige beluistering in één ruk voor velen wat teveel van het goede zijn, maar dat is dan ook geen essentiële opdracht. Je kan net zo goed kiezen voor één schijfje, of een halfje. Of de nummers sorteren volgens stijl, lengte of energiepeil. Mogelijkheden zat, kwaliteit ook.

Ideal Bread speelt op 6 juni in De Singer (Rijkevorsel), op 7 juni in het Bimhuis (Amsterdam) en op 8 juni op het Moers Festival (zo’n tachtig kilometer voorbij Eindhoven).

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie × 1 =