Liars :: Mess

“Herejezus, wat een lekkere tracks hebben die mannen weer gemaakt”. Dat was, woord voor woord, wat we (mvs), ofte monsieur enola, zeiden toen de nieuwe Liars hier de eerste keer door de koptelefoon schalde.

Mess is een plaat zoals Liars ze nog niet gemaakt had, en toch is dit vintage Liars. Nog steeds niets voor geitenwollensokkentypes dus. Hun esthetiek is er een van vernieuwing. Antiritme als ritme; antirock als avant-rock. In dat opzicht zijn Factory Floor, The Fall en Fuck Buttons hun voornaamste parallellen. Alleen: vernieuwing is geweldig om te bewonderen, zolang het niet vergeet ook nog op je ballen te mikken. Dat heeft Liars altijd al gedaan, ook op voorganger WIXIW: een donkere kamer van Damokles, vol introspectieve donderwolken die dreigend boven je kop hingen zonder een keer te ontploffen.

Of toch: een keer, in vreemde eend in de bijt “Brats”, een nummer waarin Liars opeens als een electroclashband klonk en zijn stille, opkomende liefde voor sequencers, drummachines en stampende synths niet meer hoefde te vermommen. Het is exact op dat nummer dat Mess voortborduurt. In het verleden viel het woord dancepunk wel eens als het over Liars ging, als ijkpunt én afzetpunt. Mess draagt dat label trots op z’n scoutshemd. Een antiritme is niet hetzelfde als een gebrek aan ritme — dat dokterde Factory Floor vorig jaar ook uit.

De blik voorwaarts waarvan ieder nieuw Liars-album getuigt, is er ook altijd een waarin het verleden nog staat te blinken. In de dreiging van “Pro Anti Anti” — van een mission statement gesproken — zit evenveel Depeche Mode als These New Puritans (die van Hidden). Eighties-elektronica is van belang op Mess, maar Liars heeft ook nog nooit een knipoog uitgedeeld zonder ten minste een beetje sarcasme. Trekken ze de kaart van de electroclash en bigbass — “I Can’t Hear Well” heeft meer gemeen met Modeselektors “Shipwreck” dan het zelf wil toegeven –, dan wel op zo’n manier dat de dynamiek van de bassen naar de achtergrond geduwd wordt. Het is aanlokkelijk om voortdurend uit te pakken met diepe, dreunende bassen, maar bij Liars dienen die eerder als steunmuur dan als gevel.

Als het moet daveren, dan doet Liars dat zowel met synths als met een overvliegend konvooi bommenwerpers en een omineuze galm op Angus Andrews stem — doet die u ook zo denken aan Thom Yorke? — zoals in “Mask Maker” of “Vox Tuned D.E.D.”. In “Mess On A Mission” klettert Liars het hardst, met een “proud absolution”-mantra waarin hun eigen “Proud Evolution” echoot. Op het tweede deel van de plaat gaat het wapengeweld enigszins liggen. Er wordt meer geëtaleerd, minder geramd. Dat eindigt nog steeds in goeie songs vol Liars-chaos — “Dress Walker”! — maar zorgt er wel voor dat de brute fysiek van de eerste zes nummers steeds verder te zoeken is. “Darkslide” doet het met vlagen Autechre en Actress hoegenaamd niks verkeerd aan, maar mokerslagen uitdelen doe je daar niet mee.

De mannen van Liars zijn professionele dwarsliggers, herriemakers die hun bakens al zeven albums op een rij verlegd hebben. Op WIXIW ging het trio experimenteren met elektronische geluiden, en op Mess vindt hun avant-rock in dat elektronische geluid een artistieke sweet zone. Nummer 8 klinkt dus ongetwijfeld radicaal anders. Liars is een band die nooit op zijn lauweren rust. Gelukkig maar.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

acht + 7 =