Sunn O))) & Ulver :: Terrestrials

Vijf jaar. Zo lang zitten we al op nieuw werk van Sunn O))) te wachten. Sinds het kleine meesterwerk Monolyths & Dimensions blijft het al enige tijd — een handvol optredens niet te na gesproken — betrekkelijk stil rond de grootmeesters van de drone. En nu, eindelijk, ligt er nieuw werk van het duo op het schap. Nou, niet helemaal, want Stephen O’Malley en Greg Anderson spannen deze keer samen met de eclectische Noorse band Ulver.

Het eerste decennium van deze eeuw was ontegensprekelijk dat van Sunn O))). Met een enorme output aan albums (6), EP’s (4), liveplaten (7), demo’s, splits, boxsets en ander materiaal leken de wegberijders van de drone goed op weg om een van de meest toonaangevende undergroundbands van de nieuwe eeuw te zullen worden. Niet slecht voor een band die zijn hand niet omdraait voor twintig minuten durende laaggestemde gitaarkolossen zonder enige vorm van ritmesectie. In 2009 boorden de heren zelfs een geheel nieuwe muzikale bron aan door in Monolyths & Dimensions met een hele reeks muziekstijlen te experimenteren, en zo een soort van symfonische ambient-drone te creëren. En toen viel de motor plots stil.

Het Noorse Ulver heeft daarentegen minder last van stille periodes. De band releaste intussen meer dan twintig albums in ongeveer evenveel jaar. Oorspronkelijk een black metalband, begon het collectief rond frontman Kristoffer Rygg na drie platen meer en verdere uithoeken van het muzikale universum te verkennen. Ulver experimenteerde met industrial, ambient, filmmuziek, klassiek, drone, psychedelica en jazz, waardoor Ulver het “black metal”-label al heel snel oversteeg. Beide bands hebben dus een voorliefde voor avontuur gemeen; een samenwerking was dus geen echte verrassing. Meer nog: Ulver werkte reeds mee op het nummer “CUTWOODeD”, dat als bonustrack op Sunn O)))’s White 1 verscheen.

Maar nu is met Terrestrials het eerste echte collaboratiealbum tussen deze twee underground-mastodonten een feit. De opnames dateren al van in 2008, toen beide bands in één nachtelijke sessie drie improvisatorische stukken op band zetten in de studio van Ulver. In de jaren die daarop volgden, werd er sporadisch aan het materiaal verder gewerkt door O’Malley & Rygg, tot het geheel klaar werd bevonden in 2012 om pas twee jaar later effectief te worden uitgebracht. Een betere vergelijking met het tempo van de plaat is moeilijk te vinden.

Drie nummers, zesendertig minuten. De invloed van Sunn O))) lijkt hier te overheersen, maar reeds vanaf de eerste minuten is het duidelijk dat hier een geheel eigen geluid wordt gesmeed. Vooral het contrast tussen de analoge sound van O’Malley en Anderson, en de meer digitaal gesculpteerde soundscapes van Ulver smelt als het ware in elkaar in een kneedbare, antropomorfe vorm van ambient die even ijl als intrigerend klinkt. “Let There Be Light” kan daarbij rekenen op een warme maar onheilspellende trompet, als in een jamsessie met Chet Baker in het vagevuur. Teken daarbij nog wat krakende strijkers, en je krijgt een transcendentale luisterbeurt die openscheurt in een waarlijk fan-tas-tische climax waar de blazers, ondersteund door onbestemde percussie ten hemel rijzen, aangevuurd door de monolithische feedback van Sunn O))).

”Western Horn” houdt het minder uitbundig, cerebraler zelfs, en drijft op een broeierige, gecondenseerde zwerm van gitaar- en synthgeluiden, waaruit slechts af en toe kleine geluidssprankeltjes ontsnappen. Het trance-opwekkende karakter van het nummer wordt nauwelijks doorbroken, al neemt ook de intensiteit gestaag toe zonder echter radicaal van koers te wijzigen. De korte, ingetogen coda is een mooie overgang naar het prachtige “Eternal Return”, dat meer gedragen wordt door warme synthesizers, strijkers en heel, héél mooie fender rhodes, die het iele, dromerige geluid wat meer body geven. Halverwege het nummer neemt Ulver het heft in handen, met een duidelijk muzikaal thema, en — voor de eerste keer — vocalen van Kristoffer Rygg. Het is zijn donkerbruine, zalvende stem die de plaat uit zijn wondermooie koortsdroom doet ontwaken, en ons langzaam terug naar de realiteit gidst, om ons echter in het slot van de plaat weer de zoemende, pulserende diepte te sturen.

De rode bol die op de hoes van Terrestrials staat, is eigenlijk een portret van onze zon (“captured in the wavelength of hydrogen alpha light – 656.3 nanometers in the deep red”). Na het zwarte gat op de hoes van Monolyths & Dimensions heeft Sunn O))), met behulp van een Noorse ex-black metalband, eindelijk weer de weg naar het licht gevonden. Of ze daar zullen blijven, is maar de vraag. Maar zo lang het kleine juweeltjes als Terrestrials oplevert, kan het ons eigenlijk weinig schelen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twaalf − 4 =