Pinkunoizu :: The Drop

Er was een tijd dat je met je neopsychedelische koopwaar enkel kon rekenen op blikken vol onbegrip. De bewering dat alles steeds terugkomt, geldt echter ook (of vooral!) voor de muziekindustrie. Hadden we een jaar of tien geleden (wie er nu nog mee in de weer is: ophouden graag!) vooral te maken met een terugkeer naar de postpunk, dan wordt er de dag van vandaag weer gretig leentjebuur gespeeld bij de eindeloze jams, semimechanische grooves en druggy sfeertjes van de jaren zestig en zeventig. Gelukkig levert dat nu en dan prima resultaten op, die Pinkunoizu doorgaans ook kan voorleggen.

Werd in de jaren negentig (grunge, etc, weet u nog?) vooral geleend bij de classic rock, oermetal en analoge dendersound van de jaren zeventig, dan verschoof die nadruk naar punk en progrock. Recent kon je echter een verschuiving zien naar de terugkeer van broeierige fusion à la Miles, wordt er lustig geleend van meanderende gitaarwaas en zijn de klassieke krautbands en profetische elektronica-artiesten populairder dan ooit tevoren. Tangerine Dream opnieuw bon ton, stel je voor. Recensenten lopen elkaar voor de voeten om die herwaardering van de coolste genres weer de lucht in te prijzen, desnoods met gretig van elkaar overgenomen labels en beschrijvingen.

Een fijne band die een graantje kan meepikken van die retrobeweging is het Deense kwartet Pinkunoizu. De band bestaat amper een jaar of vier, maar brak al aardig wat potten met Free Time! (2012) en met The Drop lijkt de veroveringstocht enkel te worden verdergezet. En terecht, want op z’n best laat dit getalenteerde viertal horen dat het daadwerkelijk een eigen identiteit gevonden heeft door het hypnotiserende van de kraut te combineren met old school elektronica en een productie die volgestouwd is met allerhande sonische versiersels.

Verder dan opener “The Great Pacific Garbage Patch” moet je daarvoor niet kijken: spacey synths met die typische cosmic vibe (we zijn je nog niet vergeten, Klaus!), maar vervolgens ook zo’n typische, repetitieve krautgroove die inzet op een rudimentair ritme van drumster Jaleh Negari (ook actief bij het fantastische Deense improvisatie/noise-collectief Selvhenter) en de sprookjesachtige inkleuring van haar mannelijke bandcompagnons. Het is minimalistisch, zit vol vervormingen en teert op een onweerstaanbare, lome basgroove. Kortom: Can, Stereolab en (vooral) Yo La Tengo zijn nooit veraf.

“Necromancer” verschuift dan weer naar het domein van de goedkope synthesizers en probeert Silver Apples met Kraftwerk te verenigen. In deze dromerige kitschpop doemen fluogekleurde nachtmerries op, maar het is ook een fascinerend hoorspel want het stuk is werkelijk volgestouwd met de meest uiteenlopende details, van gelaagde backing vocals en galmeffecten tot gitaarprikkeltjes en loops. In de tweede helft wordt dan weer heil gezocht bij een soort trancerock, die een mooie overgang krijgt naar “Moped”, waarin de zinderende gitaarklank, die terug te voeren is naar The Smiths’ “How Soon Is Now”, Yo La Tengo-gewijs wordt gekoppeld aan bonkende oerdrums.

Tot daar alles goed, maar vanaf dan laat de band regelmatig steken vallen. Het met onvaste stem gezongen pianostukje “Moped” is een song die net (maar dan ook nét) aan de goeie kant van vulsel blijft rondhangen, terwijl de tweede albumhelft de consistente kwaliteit van de aanloop mist. “Pyromancer” is alleszins nog een intrigerend en eigenaardig stuk dat na een tijdje verkapt wordt door een jennende schraapgitaar die als stoorzender fungeert in volle Pere Ubu-traditie. De jachtige gitaarrock van “Tin Can Valley”, een en al stompende eenvoud met een exotisch tintje dat West aan Oost probeert te koppelen, is dan weer een glorieus brokje eclecticisme.

Helaas weet het slotkwart de aandacht niet vast te houden. “I Said Hello You Said No” zoekt het aanvankelijk ergens tussen Barry Adamson en Bristol, compleet met strijkers en lijzige gitaarsolo, maar verwatert al snel met een back-to-basics-beweging, die het wel mooi doet overvloeien in afsluiter “Down In The Liverpool Stream”, dat zachtjes uitdeint met een brokje mijmerfolk. Best charmant, zo’n lieflijk stukje, maar toch maar flets als je het naast de hoogtepunten van het album legt. En zo wordt The Drop het slachtoffer van z’n eigen vrijgevigheid: een oefening die zowel het potentieel als de zwaktes van de band ongenadig blootlegt. Wat meer focus en een ijzersterke derde behoort zeker tot de mogelijkheden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

12 + 15 =