Son Lux :: “Béla Bartók kon onwaarschijnlijk vet grooven”

Indiemuzikanten die plots de nood voelen om klassiek componist te worden, ze worden hoe langer hoe talrijker. Sufjan Stevens, My Brightest Diamond en Jherek Bischoff zijn maar enkele van de bekendste voorbeelden. De omgekeerde beweging werd gemaakt door Ryan Lott, een geschoold componist, die na wat gepruts op zijn computer plots besefte dat hij de nieuwe muzikale identiteit Son Lux had gecreëerd, waarin indie, hiphop, elektronica en klassieke kamermuziek tot een hoogst eigen mengelmoes worden omgevormd.

Vijf jaar na zijn debuut At War With Walls And Mazes begint Lott dan ook stilaan een gevestigde naam te worden, en het lijkt erop dat zijn derde, alweer uitstekende plaat Lanterns die reputatie alleen maar zal verstevigen. Enola was al vroeg overtuigd van Lotts muzikaal kunnen, en sprong dan ook op de gelegenheid om de vriendelijke jongeman te spreken.

enola: Je vorige plaat We Are Rising werd gemaakt als een soort tussendoortje op erg korte termijn terwijl je tot op dat punt eigenlijk aan een andere plaat had gewerkt. Is Lanterns dat album waar je al aan werkte?
Lott
: Nee, dit is niet die plaat, maar op sommige vlakken is het wel een soort reïncarnatie ervan. De plaat waar ik aan werkte voor ik aan We Are Rising begon had niet echt een levenskans, maar er waren wel veel mooie kleine dingen aan. Zaadjes van ideeën in feite, die wat tijd nodig hadden onder de grond. Toen ik na We Are Rising terugkeerde naar waar ik mee bezig was, was ik niet meer zo overtuigd van die ideeën, zeker omdat ik sommige gelijkaardige concepten met We Are Rising uiteindelijk beter had uitgewerkt. Het voelde dus niet goed om terug te keren om dan weer verder te gaan, al heb ik er wel elementen uit hergebruikt.

enola: Dat hergebruiken van ideeën is ook op andere vlakken aanwezig, zo citeer je de melodie van “Weapons” uit je debuut aan het einde van “Plan The Escape”.
Lott: “Weapons” is in feite het eerste Son Lux nummer waar ik ooit aan begon. Toen ik met het materiaal voor At War With Walls And Mazes bezig was, was dat aanvankelijk enkel voor mezelf. Ik besefte niet dat ik een plaat aan het maken was. Toen ik dat wel besefte, begon ik te denken dat ik misschien zou moeten zingen, en dat ik een identiteit zou moeten opbouwen rond de muziek. Het oudste idee dat dan op die plaat verzeilde is dus “Weapons”. Ik citeer het trouwens ook op “Flowers” uit de tweede plaat, er is ook de Weapons EP met verschillende interpretaties van die ene track, en er is zelfs een radio-opname met enkel stem en piano (op de Breakthru Radio Session, nvdr). De melodie ervan is in feite een soort motief in mijn muzikale taal, een handtekening. Ik noem het de ghost melody, omdat het blijft rondspoken in mijn muziek, tot in remixes van andermans muziek toe. Iets aan die melodie zorgt er voor dat ze op veel manieren elders kan ingepast worden. Veel van mijn muziek is op bepaalde vlakken erg simpel, zeker op melodisch en harmonisch vlak, dus op zich is het niet zo vreemd dat die melodie steeds opnieuw kan gebruikt worden.

enola: Ten tijde van je debuut gebruikte je een erg uitgepuurde aanpak, met een beperkt melodisch arsenaal en heel beknopte teksten van soms maar een lijn per nummer die als een soort mantra’s werden gebruikt. Sinds We Are Rising lijkt dat idee iets meer opengebroken te zijn en zijn zowel de melodieën als de teksten veel meer exuberant. Was dat een bewuste overschakeling?
Lott
: Dat erg simpele en uitgepuurde was aanvankelijk een bepalend principe voor dit project. Regels en begrenzingen blijven erg belangrijk in mijn muziek, vanuit het idee dat ik van daaruit met creatievere oplossingen zal komen dan als ik mezelf de volledige vrijheid zou gunnen. Ik plant dus problemen en wegblokkeringen in het muzikaal proces en dat weerhoudt me ervan lui te zijn. In het begin was dat mantra-idee een van die centrale limiteringen, om zoveel mogelijk te proberen halen uit een soort unitaire vorm in plaats van de binaire vers-refrein-vers vorm. Dat idee heb ik niet zozeer uitgeput, maar ik heb me wel toegelaten om het losser te interpreteren, met onder meer uitgebreidere teksten als gevolg.

enola: In die zin valt ook op hoezeer Lanterns ook muzikaal eerder in het verlengde ligt van We Are Rising dan van het debuut. Nochtans maakte je We Are Rising met enorme begrenzingen, met name met het streefdoel de plaat in minder dan een maand te schrijven en op te nemen.
Lott:
De reden ligt hem misschien minder in het creatieve proces, dan wel in het feit dat ik nu, net als bij de vorige plaat, meer mogelijkheden heb dan toen. Ik kan allerhande muzikanten en vocalisten inhuren, in plaats van op samples en gevonden geluid terug te vallen. Anderzijds ben ik tijdens de opnames van We Are Rising wel een erg interessante congruentie tussen kamermuziekinstrumenten en elektronische elementen gaan verkennen, en dat heb ik op Lanterns nog verder willen uitdiepen.

enola: Op thematisch vlak lijkt Lanterns ook nog coherenter dan voorgaande platen met een soort centraal idee van verlies, om erna uit de assen op te rijzen. Kan je daar iets meer over zeggen?
Lott:
Ik weet niet of ik daar zoveel aan kan toevoegen, maar ik heb alleszins een bewuste poging gedaan om elk nummer tekstueel met de andere nummers te laten “resoneren”, zodat je er een soort gezamenlijk gedicht van zou kunnen vormen dat een vrij coherent idee zou bevatten. De nummers zijn erg divers en uniek in textuur, maar de teksten dienen om ze dan toch in een gelijkaardige wereld in te bedden, om ze een eenheid te geven. Of ik het dan een conceptalbum zou noemen? Wellicht niet echt, want dat soort platen wordt vaak door een enkel principe geleid. Deze songs komen van overal en nergens, ontstonden over een lange periode, en bovendien zijn er vijf à zes nummers die ik opgenomen heb en ook erg goed vind, die het uiteindelijk niet gehaald hebben. Een echte conceptplaat voelt als een film, waarvan alle onderdelen samenwerken aan een vaak narratief geheel. Lanterns is bewust impressionistisch, ik vertel geen verhalen, die ruimte laat ik open voor de interpretatie van de luisteraar.

enola: De invloed van klassieke muziek is sterk voelbaar in je geluid, maar valt niet zomaar neer te pinnen op een bepaalde stroming. Welke componisten inspireren je?
Lott:
Het eerste stuk muziek dat me deed realiseren dat ik, meer dan gewoon uitvoerend muzikant te zijn, ook zelf muziek moest schrijven was “Music For Strings, Percussion And Celeste” van Béla Bartók. Het voor de eerste keer horen van dat stuk was een mind blowing ervaring voor mij. Ook “Concerto For Orchestra” (ook van Bartók, nvdr) en “Rite Of Spring” (van Igor Stravinsky, nvdr) hoorde ik toen, maar “Music For Strings, Percussion And Celeste” heeft een speciale kwaliteit voor mij. (wordt erg enthousiast) Dat altijd verder gaande en culminerende, terwijl er van alles onderhuids blijft broeien, echte muzikale magie. Ik dacht “oh my god, beeld je in dat je zoiets zou kunnen maken”, en toen besliste ik om zelf muziek te gaan schrijven. Bartók is een erg grote invloed gebleven, hoewel je het wellicht niet zo sterk hoort in mijn muziek. Hoewel, dat nieuw leven geven aan simpele volksmelodieën, en het schrijven van muziek met veel zelf opgelegde regels, dat zijn wel dingen die ook bij mij belangrijk zijn. Bartók kan ook onwaarschijnlijk vet grooven, dichtbij stampende dansmuziek bijna zelfs, en dat zit er bij mij ook wel in denk ik.

enola: Wat zette je dan aan om die invloeden te koppelen aan andere invloeden uit de indie en hiphopwereld?
Lott:
Ik heb redelijk lange tijd in funkbands gespeeld. Hiphop ben ik eigenlijk op die manier beginnen verkennen, toen ik hoorde hoe die hiphopbands omgingen met die erfenis van de late jaren 60 en vroege jaren 70 in funk en soulmuziek. Vroege hiphop, en dan vooral de golden age in de vroege jaren negentig, is echt de shit voor mij. The Low End Theory van A Tribe Called Quest heb ik bijvoorbeeld echt grijsgedraaid, en zo werd ik verliefd op de hiphopesthetiek. Maar wanneer ik echt ben gaan beslissen om al mijn invloeden samen te gooien, wanneer het laten botsen van contrasterende elementen om dan tot een uniek geluid te komen zo centraal werd in mijn muziek? Dat kan ik niet exact zeggen. Ik weet wel nog dat ik tijdens compositielessen dacht hoe cool het wel niet zou zijn om die theorieën toe te passen in mijn funkband. Ik vraag me wel af hoe het komt. Stroomt het voort uit mijn persoonlijkheid, of uit het feit dat ik uit een volledig onmuzikaal gezin kom? Sowieso kan ik me niet inbeelden dat ik een stuk muziek hoor en dan denk “dat kan ik niet, want het past niet in mijn genre”, mijn oren staan continu open voor nieuwe geluiden.

enola: Voor Lanterns veranderde je van label: van het alternatieve hiphoplabel Anticon naar Joyful Noise. Waarom die verhuis?

Lott:
Ik wou gewoon even iets anders en het contract bij Anticon was afgelopen. Anticon en Joyful Noise zijn beide erg goede labels, gerund door mensen met een passie voor avontuurlijke muziek. Een nieuwe start bij een nieuw label krijgen was voor mij ook wel een psychologische hulp, zowel op creatief als persoonlijk vlak. Een goede vriend van mij, Kishibashi, heeft ook een fantastische plaat uitgebracht op Joyful Noise die wat elementen deelt met het geluid van Lanterns, en dat heeft me ook wel wat over de streep getrokken. Misschien brengt het ook wel een nieuw publiek met zich mee, maar de beste manier daarvoor zijn mijns inziens niet de labels, maar interviews zoals dit en aandacht op verschillende blogs en reviewsites. Ik weet zeker dat veel mensen bepaalde aspecten van mijn muziek niet appreciëren, maar anderzijds denk ik ook dat er voor veel andere mensen wel absoluut iets in zit.

enola: Son Lux lijkt in grote mate een studioproject te zijn en liveshows kwamen er totnogtoe eerder zelden bij kijken. Vanwaar die terughoudendheid om live te spelen?

Lott:
Ik heb vroeger in feite nooit echt kunnen touren met Son Lux. In Europa heb ik zelfs enkel nog maar in Frankrijk gespeeld! Ik speelde zelden en daardoor was elk optreden erg moeilijk en het vroeg vooral veel voorbereidingswerk. Het is één ding om een set te creëren en die telkens opnieuw te gaan spelen, waardoor die alsmaar makkelijker wordt, maar dat heb ik nooit kunnen doen, waardoor optreden elke keer een hele opdracht is. Ik voel me ook geen natural performer zoals ik wel een natural composer ben. Daarnaast is mijn hoofdinstrument de studio, en op het podium kan ik dat niet meenemen. Maar ik denk wel dat ik een goeie performer kan zijn, en dat de kwetsbaarheid en spanning van mijn muziek zich goed zou kunnen vertalen naar een podium. We gaan nu met een kleine band een set maken en daar dan uitgebreid mee touren, en daar kijk ik erg naar uit. Sowieso kunnen we Lanterns niet letterlijk spelen, improvisatie en herinterpretatie zullen erg belangrijk zijn. Letterlijk spelen hoeft ook helemaal niet, deze plaat is een album, geen momentopname van enkele kerels die live spelen. Het zal een interessante combinatie zijn van basiselementen uit het album, en dan dingen die er vaagweg mee te maken hebben.

enola: We kijken er alvast naar uit!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zeven − twee =