DOUR 2014 :: Crowdsurfen op een vliegend tapijt

Weinig geslapen deze 26ste editie van Dour! Dat de danstenten tot vijf uur in de ochtend door bleven knallen en dat de brandende zon vanaf acht uur elke tent tot een onhoudbare sauna maakt zat daar voor iets tussen, maar ook de vele niet te missen concerten zorgden voor een Team Enola dat van de ene naar de andere tent en weer terug naar de persruimte hoste om toch maar alles wat de moeite was te kunnen verslaan. Het resultaat daarvan? Dat leest u hieronder.






 

Dag Een

Net als de brandende zon wederom present: (lh) met een voorkeur voor de hardere, tegendraadse genres en nachtraaf van dienst en (gvdb) met een neus voor de betere hiphop, minimale elektro en exotische genres. Met een frisse pint in de ene hand en een flesje water en een stevig aangekruist programma in de andere stappen we de hei op.

 

De opener van het festival krijgen we nogal bruut in de strot geramd: The Tangerines (niet te verwarren met hun Zweedse naamgenoten, dank u internet!). Ze spelen naar eigen zeggen een stomende mix van psychedelica en rock-‘n-roll. Live komen ze echter over als een bandje dat vooral luid wil spelen en nog moet zoeken naar een eigen geluid. Mossel noch vis, dit energieke vijftal, dat wel in een ondergronds pandje zou passen, maar net iets te min is om een festival als Dour te openen. De organisatie had over de taalgrens wat andere koek kunnen vinden: Condor Gruppe of The Prospects. Het zijn maar suggesties. Leaf House daarentegen had meer kwaliteit te bieden, maar deze band speelt dan weer iets te veel leentjebuur bij grote voorbeelden als Vampire Weekend en Animal Collective. Op naar ander en beter dus!

Na passages in de AB, Vooruit en tijdens Les Nuits in het voorjaar staat Son Lux nu ook op Dour. Dat is best opmerkelijk voor een artiest die voor zijn twee vorige platen zo goed als nooit de baan op trok. Nu ja, niet dat je dat er echt aan merkt, want Ryan Lott gedraagt zich als een waar podiumbeest met strakke dansmoves en opruiend gespring en heeft bovendien een band mee die de contrastrijke muziek omtovert tot een spierballengerol van jewelste. In Vooruit overtuigde dat al behoorlijk, maar in deze festivalsetting is het al helemaal de ideale aanpak. Weinig nuance weliswaar en veel bombast en die ravesynths neigen nog steeds gevaarlijk naar Regi, maar in zo’n broeierige tent werkt het eigenlijk wel, met vooral sterke versies van “Enough Of Our Machines” (uit doorbraakplaat Lanterns) en “All The Right Things”.

Voor Future Islands hadden we hoge verwachtingen. Eerst was er die geniale single “Seasons (Waiting On You)”, dan de puike plaat Singles en vervolgens de naar verluidt zinderende optredens in de Beursschouwburg en Vooruit. Tijdens de eerst helft van het optreden lijkt het publiek nog niet helemaal bij de pinken — al ligt dat zeker en vast aan de haast verstikkende hitte in de Dance Hall, en Dour is nu eenmaal een festival dat pas ’s nachts op gang komt –, maar wanneer “Balance” wordt ingezet, gaat het hek eindelijk van de dam. Bij Stubru-hit “Seasons (Waiting On You)” en “Tin Man” raakt het publiek in extase door de soulvolle, aanstekelijke synthpop. Het eerste, bescheiden, hoogtepuntje van donderdag.

Soulvolle triestigaard James Blake heeft ondanks zijn eigen jonge leeftijd nogal wat epigonen in zijn kielzog verzameld, de ene al wat origineler en sterker dan de andere. Vandaag serveert Dour er al twee: de Britse melancholicus Sohn en de Australische nostalgicus Chet Faker. Beide artiesten leggen weliswaar hun eigen nadrukken in dat specifieke wereldje vol ijle beats, emotionele r&b-vocalen en de occasionele bescheiden dansvloerstamper, maar toch: overeenkomsten genoeg om een kleine battle of the bands te houden. Mocht publieksreactie een betrouwbare graadmeter voor muzikale kwaliteit zijn, dan won Chet Faker zonder meer deze competitie. Een afgeladen volle Dance Hall die enthousiast nummers meezingt tegenover een gezellig gevuld Petite Maison, no competition. Keerzijde daarvan: Chet Faker moet tegen een waas van rumoer (en geluidsoverlast van andere tenten) opboksen en alle nuance van zijn songs gaat dan ook compleet verloren, terwijl Sohn er veel beter in slaagt om zijn rijk gelaagde songs ten gehore te brengen voor een naar Dour-normen behoorlijk respectvol publiek.

Herkenningsgejuich genoeg bij beide: Chet Fakers doorbraakcover van Blackstreets “No Diggity” passeert ergens in het midden van zijn set, net als “Talk Is Cheap”, terwijl Sohn zijn succesmateriaal slim over zijn speeltijd spreidt, met vooral uitschieters in “Tremors”, een magistraal “Artifice” en afsluiter “The Wheel”. Waar faalt de een dan terwijl de ander zegeviert? Diepgang. Chet Faker maakt leuke songs, maar veel meer dan goeie stijloefeningen zijn het niet. Een deel van het materiaal dat Sohn laat horen is in hetzelfde bedje ziek, maar de uitschieters zijn zonder meer uitstekend. Terwijl Faker onze aandacht zo maar met moeite kan behouden doorheen zijn drie kwartier, weet Sohn ons toch enkele keren weer volledig bij de les te krijgen. James Blake toppen doet voorlopig geen van beide (het echt vooruitstrevende elektronicageweld is dan ook voor later op de avond), maar ’s mans landgenoot mag in dit duel wel de trofee wegkapen.

We herinneren ons nog goed Soulfly op Dour in 2006: wat een strakke metalset was me dat! Datzelfde jaar zagen we de opvolger van Sepultura aan het werk op Graspop en toen was Max Cavalera nog net geen karikatuur van zichzelf geworden. Vandaag grossiert Soulfly, met tegenwoordig Max’ zoon Zyon achter het drumkit, in het routineus afhaspelen van zijn nummers, afgewisseld met enkele Sepultura-covers. “Blood Fire War Hate” is een makke opener, “Refuse/Resist” kan met wat moeite een moshpit op gang trekken. Pleister op de wonde is “Arise” — weer een Sepultura-nummer dat sfeer in de keet moet brengen –, waarbij een gevaarlijke circle pit het publiek uit elkaar drijft. De afsluitende medley van “Jumpdafuckup” en “Eye For An Eye” is om van te schreien. Hilarisch dieptepunt is het moment waarbij Cavalera, die eruitziet als een kabouter Plop met dreadlocks, een Rode Duivels-muts opzet en het publiek oproept op ‘olé, olé, olé, Soulfly! Soulfy’ te scanderen. Onze excuses voor de woorden, maar zo’n act doet de muzikale erfenis die Cavalera achterliet met Sepultura vergeten. Voor (lh) wordt de goesting in een stevige avondmaaltijd echter te groot, dus is Soulfly vlug vergeten.

Veel minder routineus is de verschroeiende passage van extreme hardcore/punkband Trash Talk, die geïntroduceerd wordt met de hiphopbeats van een langharige MC. Voor kenners is dat geen verrassing aangezien de band getekend is op Odd Future Records, het label van Tyler, The Creator. Optredens op onder meer Ieperfest en Pukkelpop leverden in het verleden al legendarische taferelen op en op Dour gaat het er niet minder enthousiast aan toe. Frontman Lee Spielman verkeert in bloedvorm en laat zich zoals gewoonlijk in het publiek omringen en vervolgens overrompelen door uitzinnige hardcore-freaks. De charismatische frontman roept zijn aanhangers op om de grootste circle pit van het festival te maken, massaal te gaan zitten tijdens een van de weinige rustpunten in de een halfuur durende set en vraagt op het einde van het optreden het publiek om massaal het podium te beklimmen. Dat de band zijn nieuwste plaat No Peace komt voorstellen, is eigenlijk bijzaak. Door het rommelige geluid in de Cannibal Stage komt de hele set over als een vormeloze, oorverdovende geluidsbrij. Maar sfeer is er in ieder geval. Missie geslaagd dus voor Lee Spielman en co.

 

In het midden van het optreden van Mount Kimbie wordt de voorste helft van de tent overstelpt door een massa kleurrijke ballonnen die lustig heen en weer gekaatst worden. De muziek van het Britse tweetal is een beetje als die ballonnen: veelkleurig, maar soms ook even stuurloos. Zoals steeds wordt er naarstig gejamd, maar hier en daar leidt dat niet echt tot boeiende resultaten en wordt de vaart behoorlijk hard uit de show gehaald. Al zijn er ook verschillende lichtjes fantastische momenten te rapen, zoals de gestage nieuwe opbouwen van “Carbonated” en “Field” (even dachten we met nieuwe nummers te maken te hebben), of wanneer “Fall Out” ontaardt in het soort postrockjam waar Tortoise wel eens in grossiert. Genoeg lichtpunten dus om dit optreden ruim boven de middelmaat te doen uitstijgen. Mount Kimbie blijft door dat creatief herinterpreteren steeds een boeiende live-act, maar topniveau halen ze deze keer helaas niet.

Waar Nicolas Jaar en Dave Harrington de naam voor hun samenwerkingsproject Darkside vandaan hebben gehaald weten we niet, maar uit hun eclectische set op Dour zou je wel kunnen opperen dat het wat te maken heeft met Pink Floyds meesterwerk The Dark Side Of The Moon. Ook hier namelijk die rijke sonische gelaagdheid met een nadruk op psychedelische blues- en funklicks, maar dan gekoppeld aan Jaars diep dreunende techno en nog een hele hoop andere invloeden. We wisten al dat Jaar en Harrington hun nummers live graag hertimmeren, maar dat het tweetal zó vrij zou omgaan met het materiaal uit debuutplaat Psychic hadden we toch niet verwacht.

De thema’s uit die plaat zijn hier immers niet meer dan leidmotieven, kapstokjes om de jams aan op te hangen, minimale herkenningspunten voor wie de plaat echt goed heeft beluisterd, zoals sommige hypercreatieve jazzgroepen dat ook kunnen. Bestond Psychic grotendeels uit redelijk beknopte jams, dan wordt hier quasi elk nummer omgevormd naar het voorbeeld van de traag open bloeiende openingstrack “Golden Arrow” (live ironisch genoeg in een sterk verkorte versie als afsluiter). Gestaag opbouwende lagen beats, gitaarloops en keyboardtapijten dragen allemaal bij aan de sfeer van totale trance die het tweetal kan opwekken in de Petite Maison. Openingsnummer “Freak, Go Home” is wellicht het absolute prijsbeest van deze set. Een kwartier lang bouwt het tweetal rond flarden uit de song een ronduit hypnotische intro op die de hele tent aan het dansen krijgt. Verderop verzwakt de spanningsboog soms een beetje, maar steeds opnieuw weet de groep weer alle aandacht naar zich toe te trekken. Indrukwekkend.

Meteen daarna komt Bonobo een vierde kruisje zetten op zijn Dour-abonnement. Verdiend op de Last Arena deze keer, en bovendien met een set die zich goed aan die main stage context aanpast. De nadruk ligt meer op het dansbare aspect van Bonobo’s muziek en minder op de sfeervolle songs die hun concert vorig jaar tot zo’n hoogvlieger maakten. Slimme keuze, want wanneer er toch rustiger nummers als “Towers” en “Pieces” passeren in de set kunnen ze immers niet op tegen het lawaai van de andere tenten (echt wel een storend punt dit jaar). Ondanks die erg verschillende set krijgen we toch een groot déjà-vu gevoel bij dit optreden en lijkt het hier en daar zelfs alsof Bonobo wat op routine aan het spelen is. Een nieuw nummer aan het einde brengt daar wat verandering in, en misschien zit hem daar wel de oplossing: even stoppen met toeren, een nieuwe plaat bij elkaar schrijven om dan weer helemaal fris de baan op te gaan.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twee + elf =