Ty Segall :: Sleeper

Dat Ty Segall een bezige bij is, zal intussen niemand nog verbazen. Dat de mens er na een hoop projecten nog altijd in slaagt het publiek te blijven boeien misschien wel. Toch loont het nog steeds de moeite om Segall te volgen, zo bewijst hij met Sleeper, veruit zijn meest opvallende plaat sinds het psychedelische Hair, met White Fence.

Niet dat Segall met Sleeper iets compleet nieuws brengt. Neen, met het plaatje bewandelt hij eerder voor hem onbewandelde paden. Op Sleeper hoort u hem namelijk, net als op Twins, de liedjesschrijver in zichzelf naar boven halen, al ging Segall met Twins nog wel meer richtingen tegelijkertijd uit. Daarbij leek zelfs Kurt Cobain nooit ver weg. Met Sleeper kiest hij ervoor dat spectrum te vernauwen met een akoestische gitaar. Het is een benadering waar Segall vooral aan het begin van de plaat goed mee scoort wanneer je hem in de titeltrack “Sleeper” meer dan ooit moeite hoort doen om te zingen. Daarbij komt men als luisteraar in een dromerig sfeertje terecht, echter niet door psychedelica deze keer, maar eenvoudigweg door het feit dat Segall als een begeesterde, charismatische John Lennon klinkt zoals u hem kent van nummers als “Working Class Hero” en “Imagine”.

Wanneer je Segall dat charisma in “The Keepers” nog een beetje ten top hoort drijven met een haast bijbelse tekst, heb je het gevoel helemaal vertrokken te zijn voor een heerlijke plaat. Nog meer dan Lennon weergallen in “The Keepers” immers echo’s van een jonge Van Morrison, een referentie waaraan wij ons bij garagerocker Segall evenmin hadden verwacht. Het geluid klinkt namelijk even warm als dat van Van Morrisson’s cultplaat Astral Weeks, met het gevolg dat het speelse “Crazy” en het folky “The Man Man” al even lekker naar binnen gaan. Het zijn echter eveneens nummers waarbij duidelijk wordt dat het eenvoudige concept van een man met een gitaar zijn grenzen heeft en dat het noodzakelijk is een goed evenwicht van sterke en afwisselende nummers te brengen om te kunnen blijven overtuigen.

Dat lukt Segall nog vrij goed met “She Don’t Care” dat tekstueel aan The Beatles’ “Ticket To Ride” doet denken, maar daarna beginnen de beperkingen van het akoestische concept toch een beetje hun tol te eisen. “Come Outside” flirt met het door George Harrison geïntroduceerde Hare Krishna-kantje van The Beatles, wat op zich geen slecht idee is, ware het niet dat het hier na een eerste helft met vooral tekstueel sterke nummers nauwelijks uit de verf komt. In hetzelfde straatje past “6th Street” dat met de scherpe gitaargeluiden en de in valium gedoopte vocals van heel wat ambitie getuigt, maar hier op een minder toegankelijke tweede plaathelft een beetje verloren loopt in het akoesistsche concept.

De vraag waarover men zich bijgevolg kan buigen, is of Segall met Sleeper toch niet een beetje te ver is gegaan in het vernauwen van het spectrum. Een nummer als “Sweet CC” is bijvoorbeeld niet slecht, maar had in een vettere productie, zoals bijvoorbeeld met White Fence, hoogstwaarschijnlijk nog hogere ogen kunnen werpen. Anderzijds had een ruig Nirvana-kantje de plaat wellicht eveneens van extra olie kunnen voorzien, zoals wij dat bijvoorbeeld met het integrale album Lemons en bepaalde nummers van Goodbye Bread en Twins hebben mogen meemaken.

Dat maakt van Sleeper een tweeslachtig plaatje dat heel beloftevol begint met ijzersterke nummers, maar in de tweede helft strandt met experimenteler materiaal dat in het akoestische Sleeper niet het vehikel vindt dat het nodig heeft om écht te kunnen overtuigen. Niet dat wij het Segall kwalijk nemen, want met alles wat hij tijdens de laatste jaren op de mensheid heeft losgelaten, zal het beslist niet altijd even gemakkelijk zijn om door het bos de bomen nog te zien. Hem in zijn productiviteit ontmoedigen, is hierbij wel het allerlaatste wat wij willen doen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

achttien − 9 =