Next Collective :: Cover Art

Er valt over supergroepen al vlot een aardige geschiedenis bijeen te schrijven, met als rode draad een steeds terugkerende kentering: het blinde enthousiasme dat rijst uit de beloftes die een samenraapsel van persoonlijkheden met zich meebrengt, draait meestal uit op een diepe teleurstelling, het resultaat van een volstrekt afwezige chemie. Een geforceerd experiment dat zijn ambitie niet waarmaakt. De rockgeschiedenis staat bol van de precedenten, bij jazz valt het bilan maar net iets positiever uit. In het licht van haar voorgangers slaagt het fusion-experiment van Next Collective er bij een eerste poging niettemin in om die determinerende voorgeschiedenis van de tafel te vegen.

Het kon nochtans makkelijk verkeren, te beginnen met de samenstelling van de groep. Zij die de eigentijdse Amerikaanse jazz scene volgen, zullen weinig verbaasd zijn door de veelheid aan jonge, bekende namen die onder de noemer Next Collective zijn samengebracht. Saxofonisten Walter Smith III en Logan Richardson mogen opdraven, net als pianisten Gerald Clayton en Kris Bowers, drummer Jamire Williams en ten slotte ook — als gastmuzikant — de trompetspeler Christian Scott. Stuk voor stuk geprezen muzikanten, winnaars van jazzprijzen, frontmannen van bands, of gewoon eigenzinnige componisten, in een groep zonder uitgesproken leiderschap of directie samengebracht. Neem daar nog eens bij dat Cover Art uitsluitend uit herbewerkingen van songs van andere artiesten bestaat, gaande van Little Dragons triphop tot de rock van Pearl Jam. Potentieel dus een hoogst explosieve situatie, met een aanzienlijk risico op falen, al weten de jonge leeuwen daar meesterlijk mee om te gaan.

Louter omwille van de vergelijking, raden we u ten stelligste aan om de originele tracks in de nabijheid te houden, wanneer u naar Cover Art luistert. Niet vanwege de snelle herkenning, eerder om de subtiele koerswijzigingen en de graad van verandering ten volle te appreciëren. Drakes “Marvin Room” is bijvoorbeeld ontdaan van de klinische beats, raps en synthesizermelodie, terwijl piano en trompet heel nadrukkelijk op de voorgrond treden. Een van de meest adembenemende transformaties op Cover Art is “Twice” van Little Dragon. In de kiem bedoeld als een song die stevig bij het nekvel grijpt, maar de heren van Next Collective weten het allemaal nog een tikkeltje indringender en omvattender te maken. De eerste halve minuut laat evenwel weinig prijsgeven, behalve een koortsig dubbelspel van saxofoons en een handvol percussieslagen. Het is pas na een langgerekte openingsminuut dat er zich een melodie ontwikkelt die zich in de verte als “Twice” aankondigt en geleidelijk aan de thematiek van het origineel overneemt. Majestueuzer qua stijl, ongetwijfeld, maar de fijnzinnigheid waarmee zoiets gepaard gaat, is tekenend voor de hoogstaande en gebalanceerde aanpak van Next Collective.

In alle opzichten is Cover Art meer dan zomaar een verzameling van vertrouwde songs uit de voorbije twintig jaar. Het mogen dan wel nummers zijn waar het merendeel van deze artiesten mee volwassen is geworden, toch getuigt Next Collective van een behouden afstand. Zelfs bij uitvoeringen die meer in het teken van natuurgetrouwheid staan, valt er een eigenzinnige toets op te merken. Zo heeft men bijna uitsluitend voor vocale tracks als “Africa” (D’Angelo), “No Church In The Wild” (Kanye West) of “Fly Or Die” (N.E.R.D) gekozen, om vervolgens een volstrekt nieuwe melodielijn op te verzinnen, terwijl de oorspronkelijke harmonie onder de oppervlakte verborgen ligt. Christian Scott geeft een persoonlijke invulling aan de ritmische patronen van Kanyes stem en kadert die uitvoering helemaal in zijn soloreleases van het afgelopen jaar. Als gastmuzikant drukt de trompettist nog meer dan de andere ‘vaste’ artiesten zijn stempel op het geheel: de langgerekte, groots opgezette epossen, die tussen jazz, rock en hiphop slalommen zouden zo op zijn laatste albums terecht kunnen.

Op de koop toe krijgt de luisteraar nog een paar fijne uitsmijters als “Come Smoke My Herb” (Me’Shell Ndegéocello) en “Thank You” (Dido) toegeworpen. Keer op keer zijn het herbewerkingen die met veel overtuiging en gevoel worden gebracht, voorzien van pulserende ritmes of geruststellende tonen. Cover Art bruist van de eerste tot de laatste minuut, als de betere fusionplaten van Miles Davis. Slechts weinig groepen zouden er in slagen om zich dergelijke uiteenlopende songs toe te eigenen en tot een samenklinkend geheel om te vormen. Deze supergroep doet het feilloos én met stijl. Hoe lang is het wachten tot Cover Art 2?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

achttien − 14 =