Oh Boy

Van clichés en karikaturen zegt men wel eens dat ze zo vaak in films en romans voorkomen omdat er in elk cliché en in elke karikatuur een kern van waarheid zit. Niet dat we die stelling in twijfel willen trekken, maar wij weten inmiddels wel beter: ze bestáán gewoon echt, al die mensen die zo plat of oppervlakkig zijn, dat je ze amper zou geloven in eender welke vorm van fictie, maar ondertussen wel dartel door de realiteit huppelen. Vooral door de onze. Vrienden van vrienden die je van toeten noch blazen kent, maar in een eerste, verkennende conversatie al meteen het wel en wee van hun seksleven met je willen bespreken. Vreemden die je ontmoet op de bus en het niet kunnen laten om hun doorgaans weinig verfijnde mening over politiek en maatschappij mee te delen. Figuren die niet één gesprek lang kunnen verbergen dat ze compleet smakeloos – ‘Bridesmaids, dat vónd ik nu eens een subtiele komedie!’ – en/of totaal onwetend – ‘Ceulemans, schrijf je dat met ‘eu’’? – zijn. Met andere woorden, mensen die zo ongelooflijk tweedimensionaal zijn dat je aan een simpele ontmoeting een stevige kaakbreuk overhoudt, gewoon omdat je kinnebak aan tweehonderd per uur boem pats tegen de grond smakt. Een mens zou voor minder ‘Oh Boy!’ verzuchten.

Het debuut van Jan Ole Gerster wemelt van zo’n personages, maar dat is geenszins een verwijt: de Duitse regisseur voert hen immers op zo’n scherpe manier op dat ze voldoende geloofwaardig overkomen en weet hun komische mogelijkheden daarbij dan nog maximaal te benutten. Bovendien kadert hij hen in een context die opvallend tastbaar is voor twentysomethings als wij: Oh Boy volgt één dag in het leven van Niko Fischer (Tom Schilling doet zowel qua uiterlijk als qua acteerstijl aan de James McAvoy ten tijde van Starter For 10 denken), een werkloze twintiger uit Berlijn die zijn studies rechten al lang heeft afgebroken, en zich ondertussen doorheen zijn doelloze bestaan sleept. Van de ene oppervlakkige ontmoeting naar de andere oninteressante situatie, in een schier eindeloze zoektocht naar een oppeppende kop koffie, u weet hoe dat gaat. Dat klinkt misschien weinig interessant, maar de precisie waarmee Schilling staat te acteren en de geweldig efficiënte regie van Gerster maken van Oh Boy één van de meest frisse films die de laatste jaren uit het Europese indiecircuit in uw cinemacomplex opgedoken zijn.

Vooreerst is het verhaaltje, dat Gerster baseerde op de periode van doelloosheid die hij zelf heeft doorleefd, bijzonder herkenbaar: sommige situaties – met hoeveel gevoel voor humor ze ook getekend worden – lijken haast uit het leven gegrepen, de scène waarin Niko een kop koffie wil bestellen in één of andere trendy coffee bar op kop. Anderzijds brengt de jonge Duitser zijn simpele plot op zo’n manier in beeld dat die haast iets universeels krijgt: de regie is niet opvallend aanwezig – geen documentaire schoudercamera, maar evenmin nadrukkelijke camerabewegingen of montagetrucs – maar daarom niet minder doeltreffend. Bovendien is Oh Boy gedraaid in eenvoudig zwart-wit, waardoor de bekommernissen van Niko van een soort tijdloosheid worden voorzien en Oh Boy meer dan eens de allures van een vroege Nouvelle Vague-film krijgt.

Gersters inspiratiebronnen zijn dan ook navenant: zonder aan de neiging tot al te opvallende knipogen of letterlijke referenties toe te geven, gaat hij de mosterd halen bij onder meer Jean-Luc Godard en François Truffaut, maar evengoed (en misschien nog wel veel meer) bij de beste versie van Woody Allen – die van Annie Hall en Manhattan – en de komedies die de Coen Brothers op pellicule hebben gepleurd. De films van Godard, die Parijs (en het streepjestruitje van de kortgeknipte Jean Seberg, waaraan wordt gerefereerd in de openingsscène) vereeuwigde in Á Bout de Souffle, en Allen, die New York bezong in Manhattan, komen het sterkst boven in Gersters portrettering van Berlijn: Oh Boy wordt bij momenten een heuse stadssymfonie. Berlijn – een stad die de afgelopen honderd jaar drie keer is herrezen – en de wijk rond het metrostation Friedrichstrasse (waar vroeger de Muur doorheen de stad liep) vormen in Oh Boy dan ook het uitgelezen decor voor het lege en doelloze leventje dat Niko leidt, en Gerster tekent de Duitse hoofdstad met evenveel gevoel voor schoonheid als voor bewondering.

De invloed van de Coen-broertjes laat zich dan weer vooral voelen in de personages, die zoals eerder gezegd weinig uitgediept worden, maar daarom niet voor minder vermakelijke momenten zorgen – integendeel. Er is de amateuractrice die het obesitastrauma uit haar jeugd probeert te verwerken door met een glimlach te vertellen dat ze vroeger zelfmoord wilde plegen; er is de mislukte filmacteur die Niko door Berlijn rijdt en zich ondertussen Travis Bickle waant; en dan heb je nog de bovenbuur die net iets te direct is over de borstamputaties van zijn vrouw, de artiest die te hoog met zichzelf en met zijn eigen werk oploopt, de gerechtspsychiater die zijn patiënten naar eigen goeddunken hun rijbewijs afneemt… Gerster voert al die figuren met veel gevoel voor humor en komische timing op, om ze weer weg te steken voor ze irritant of saai worden. Tel daarbij de manier waarop hij de reactie van Niko (die eigenlijk nooit goed weet hoe te reageren) toont, en je krijgt een erg fijne komedie die het midden houdt tussen het absurde uit The Big Lebowski en het schrijnende uit The Office.

Dan tóch een puntje van kritiek? Welja, ondanks de wat meer serieuze slotscène laat de film het helaas na om een echt blijvende indruk na te laten. Een dag in het lege leven van een moedeloze twintiger uit Berlijn zorgt voor 83 minuten geweldig vermakelijke cinema, maar lijkt een dag later al bijna vervlogen. Misschien heeft Jan Ole Gerster de tragische ondertoon van zijn verhaal en zijn hoofdpersonage net iets te veel willen verdoezelen met komische scènes? Hoe dan ook, er zat nog een tikkeltje meer in Oh Boy, een tikkeltje meer dat de kijker diep vanbinnen ook echt raakt, in plaats van hem louter te vermaken. Het lijkt er op dat Gerster dat tikkeltje er wel heeft ingestoken, maar in al zijn enthousiasme is vergeten om het ook weer naar boven te laten komen.

Laat dat u echter niet tegenhouden om naar ’s mans debuut te gaan kijken: het is immers lang geleden dat een regisseur in zijn eerste langspeelfilm zo’n portie onbetwistbaar talent heeft laten zien – inmiddels is Oh Boy dan ook volledig terecht de prijzen op Europese filmfestivals aan het opstapelen, en het zou ons niet verbazen mocht Gersters volgende wel eens een klein meesterwerkje worden. Bijzonder fijne film, ontzettend straf debuut, en de perfecte manier om eens te lachen met alle ergerlijke randfiguren die u zelf tegenkomt. Wat wil een mens nog meer?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

dertien + 2 =