Stoker

Het is bijna ontroerend hoe voorzichtig de Kinepolis-bioscopen omgaan met hun publiek, telkens ze een film moeten draaien die ook maar een béétje buiten de mainstream ligt. Aan het begin van Stoker wordt ons in een reclame meegedeeld dat filmliefhebbers vanaf nu niet meer zelf op zoek moeten naar beklijvende, originele cinema. Films van dat kaliber krijgen in promotiemateriaal tegenwoordig namelijk het handige etiket ‘opmerkelijk’ mee. Fijn dat Kinepolis in onze plaats denkt. Toch is dat label bij Stoker helemaal op zijn plaats, want het gaat hier wel degelijk over een opmerkelijke film. Alleszins toch naar multiplex-normen.

India Stoker (Mia Wasikowska) is een pathologisch introvert meisje dat nauwelijks contact heeft met de buitenwereld en haast opgesloten leeft in het gigantische landhuis van haar ouders. Ze is net achttien geworden, maar de feestelijkheden worden overschaduwd door de recente dood van haar vader, die in een dubieus auto-ongeluk omkwam. India blijft alleen achter met haar egocentrische moeder (Nicole Kidman), een labiele zatte fles die nooit in staat was om het arme kind een opvoeding te geven. Het is eerder andersom, India moet voor haar zorgen, beweert het personeel. Na de begrafenis duikt plots een zekere ‘uncle Charlie’ (Matthew Goode) op, de broer van de pas overleden vader waar niemand in de familie ooit iets van gehoord heeft. Moederlief is meteen gecharmeerd door zijn vlotte praatjes, maar Charlie heeft eerder de onbenaderbare India op het oog.

Stoker is een film die niet makkelijk te categoriseren valt, noch qua genre, noch qua thematiek. In de eerste plaats is het een broeierig melodrama en morbide kijk op wrange familiebanden. Vooral Kidman steelt de show als heerlijk stuk venijn en geeft het begrip ‘onverantwoordelijke moeder’ haast een nieuwe betekenis. Verder is het ook een coming-of-age verhaal over de ontluikende seksualiteit van een jong meisje. India lijkt een soort compulsieve vrees voor mannen en aanraking in het algemeen ontwikkeld te hebben, maar kan ondanks haar stuitende koppigheid bepaalde gevoelens toch niet langer verbergen wanneer ze plots de viriele mannelijke aanwezigheid van uncle Charlie in huis heeft. Het hoogtepunt van dit onderdrukt verlangen komt tot uiting tijdens een ingebeeld pianoduet tussen haar en Charlie, blijkbaar zowat de meest intieme vorm van contact die ze zich kan voorstellen. Charlie is op zijn beurt dan weer enorm aangetrokken door de enigmatische ontoegankelijkheid van India.

Naarmate de film vordert, komt de nadruk meer op de suspense te liggen en wordt de verder zeer serene toon van de film onderbroken door uitbarstingen van hysterie. Door de kijker als het ware onder te dompelen in de verknipte leefwereld van India, neigt de film tenslotte ook naar het mystery genre. India is naar eigen zeggen hypergevoelig, wat concreet inhoudt dat ze soms onverklaarbare visoenen heeft. Deze gefragmenteerde beelden gebruikt regisseur Chan-wook Park, net als in Oldboy, op briljante wijze om de kijker tot de ontknoping aan het lijntje te kunnen houden.

Bepaald subtiel is de film echter niet. Om al maar te beginnen met de schijnbaar lukrake verwijzing naar Dracula auteur Bram Stoker in de titel of de manier waarop Hitchcock’s Shadow of Doubt er zonder duidelijke reden bij gesleurd wordt: ja, ik weet het wel, ook in die film wordt een familie opgezocht door hun geheimzinnige oom Charlie die schommelt tussen gentleman en engerd. Maar daar blijft het dan ook bij. Het lijkt eerder een knipoog om maar te kunnen knipogen.

Verder halen Park en scenarist Wentworth Miller – alias Michael Scofield uit Prison Break (nooit gedacht dat die kerel iets meer kon dan veelbetekenend voor zich uitstaren met toegeknepen ogen) zowel inhoudelijk als visueel werkelijk alles uit de kast om de thematiek zoveel mogelijk in de verf te zetten: freudiaanse toespelingen, double entendres (Kidman: “goede wijn wordt enkel beter met de jaren!”) en een eindeloze reeks fallussymbolen passeren de revue. Dit gebrek aan subtiliteit is echter nergens ergerlijk, omdat Parks beeldtaal een zodanige speelsheid en vindingrijkheid uitstraalt. Haast elk shot onthult een creatief inzicht en een oog voor detail in cinematografie. Bovendien deinst Park er nergens voor terug om deze audiovisuele bombarderie af te zwakken met zelfrelativerende knipoogjes, waardoor de film nergens hoogdravend dreigt te worden. Niet evident wanneer je bewust een soort artificiële esthetiek opzoekt, maar Park bewijst zijn creatie niet té au sérieux te nemen en dat is een enorme verdienste. Wat evenzeer indruist tegen het clichématige, is de uitwerking van het personage India. Gewoonlijk wordt zo’n personage voorgesteld als de archetypische tere bloem en de belichaming van maagdelijkheid. India komt echter zodanig geremd en socially awkward over dat ze nergens in het gekende cliché vervalt. Ook het ongewone uiterlijk van Wasikowska speelt hier een belangrijke rol in.

Wat de film tenslotte siert is de onmiskenbare amorele toon. Er zijn geen redeeming qualities in Stoker, het is een universum waar werkelijk iedereen slecht is. Zelfs stereotypen die we door andere films automatisch als sympathiek zijn gaan beschouwen (zoals de dappere eenzaat die het opneemt voor India wanneer enkele jocks haar belagen), krijgen hier een duister randje. Al helemaal cynisch is het gevoel van determinisme waarmee de film doordrenkt is. De centrale stelling lijkt dat het kwaad inherent is aan een bepaald type mensen en dat daar nu eenmaal niets aan te veranderen valt. De plotse gedaantewissel aan het einde van de film is hier dan ook bewijs van: niemand kan blijkbaar zijn noodlot ontlopen. Het perfecte slot van een duivels goede film.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

3 × 2 =