Woodkid :: The Golden Age

Wat zegt u? Minder is meer? Bollocks to that. Het adagium van het apothekersweegschaaltje is iets voor lafbekken die niet durven te leven. Dat vindt althans Woodkid, wiens moeder hem stug Yoann Lemoine blijft noemen. Hij levert een pompeus en bombastisch debuut af dat scheert langs genialiteit, maar net zo goed in diepe dalen neerploft. Moet kunnen, vinden wij: een beetje lef dient altijd geapprecieerd.

Het helpt natuurlijk om goodwill te creëren als je eerste single het hallucinant geweldige “Iron” is: de dramatiek van Patrick Wolf meets een symfonisch orkest en de percussie van Slagerij Van Kampen. Het was één van de singles van 2011, en een binnenkomer van formaat: een visitekaartje waar niet naast te kijken viel. Lemoine, een man die eerder naam maakte als cameraman voor Sophia Coppola en Luc Besson en regisseur van videoclips voor Lana del Rey en Katy Perry, hulde zich vervolgens echter in stilzwijgen, en hij deed dat lang. Pas twee jaar na die EP is er nu The Golden Age.

Naar dat volwaardig debuut werd hier nog geen beetje gereikhalsd, met bange twijfel in het achterhoofd of dit een plaat lang zou werken. Maar “Iron” blijkt geen toevalstreffer. Nieuwe single “Run Boy Run” gaat verder op hetzelfde elan en moet het van hetzelfde aanstekelijke getrommel hebben. Het orkest heeft trouwens mee de oversteek gemaakt naar The Golden Age, en slaat ook in daaropvolgende “The Great Escape” op hol in een onstuitbare gallop.

Soms doet het allemaal wat denken aan wat These New Puritans ondertussen een eeuwigheid geleden deed op Hidden. Zeker het majesteuze “Stabat Mater” echoot dat soort dwarse, bijna atonale blazers, en gooit er voor de lol nog een klassiek aandoende koorzang bovenop. In der beschränkung zeigt sich der meister? Deze Fransoos verstaat geen Duits, dus niet met hem.

Elders wordt dan weer uitgepakt met pure pop. “I Love You” heeft de backingtrack van Eels’ “Cancer For The Cure” geleend, maar heeft vooral een onmiddellijk meefluitbare zanglijn. Ook “Ghost Lights” met zijn prachtige gedempte blazers en alweer stommelende percussie is een pareltje. “Conquest Of Spaces” kan daar naast staan, maar heeft ernstig te lijden onder het wat al te nadrukkelijke Franglais van Lemoine.

Misschien is Lemoine immers zelf wel de meest onzekere factor van zijn eigen project. Er is niet alleen die soms wat wankele uitspraak van Shakespeares taal, maar de man beschikt ook niet over de beste zangstem. Zijn wat beperkt bereik wijst alle voorbarig gemaakte vergelijkingen met Antony Heggarty van de hand, en zorgt er eerder voor monotonie. Maar dan is er wel weer “Boat Song”; waarin het orkest zich van zijn meest klassieke kant laat zien.

Prachtdebuut dus, ware het niet dat de eenvormigheid af en toe wat opvalt. Kort samengevat heeft Lemoine twee soorten nummers: ritmegedreven tracks waarin het orkest voor pathos mag zorgen, en ingetogen pianoballads waarbij de demper op de trompetten gaat. Dat levert een paar knappe nummers af, maar ook een paar doorslagjes daarvan. Iets meer variatie op een volgende plaat is dus welkom.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 + 17 =