Woodkid :: 20 februari 2014, Vorst Nationaal

Hoeveel kan te veel zijn? Woodkid vroeg het zich niet af toen hij op tour vertrok, en plande de meest bombastische show die hij uit zijn koker kon halen. Kleiner dan Vorst Nationaal mocht de zaal dus niet worden, zelfs al kreeg hij die zelfs in clubvorm nauwelijks gevuld. Het resultaat was een show die hoog mikte, maar af en toe plat op zijn smoel viel.

Dat er vooraf snoeiharde hiphop uit de boxen knalt mag geen wonder heten. Woodkid, né Yoann Lemoine, is gefixeerd door ritmes, en speelt dat ook vandaag heel erg uit: op het podium achteraan staan twee drumsets symmetrisch opgesteld, de basdrum lekker dramatisch ogend opgehangen. Op een aantal rustige nummers na zal die percussie dan ook het klankbeeld vanavond domineren; soms zo overdreven dat niet meer overblijft dan carnavalsmuziek.

Lemoine kan zijn afkomst dan ook niet verloochenen; dit is muziek die zijn voeten stevig geplant heeft in de Franse bombastische traditie. Jean-Jacques Goldman is het nog niet — er komen geen piano’s uit de vloer gestegen — maar het grote gebaar is nooit ver weg; Woodkid intrigeert evenveel als het irriteert. Dit surft wel heel opzichtig op de grens tussen kunst en kitsch.

Nochtans is het fascinerend wat Woodkid probeert te doen met naast zijn twee drummers nog vijf strijkers, drie blazers en twee toetsenisten. Het is pop met een orkestraal tintje, waar het klassieke instrumentarium uit is weggelaten; als had een megalomane Jacques Brel de arrangementen van The Beatles mogen bepalen. Want Woodkid houdt zich niet in; als hij voor de aanval kiest is het met alle wapens getrokken en wild toeterend. Zo laat hij “The Golden Age” ontploffen in een ongemakkelijk salvo percussie, en toont hij zich een opgewonden publieksmenner in “Ghost Lights”.

Helaas valt daar ook op dat zijn aangename tenor ook erg beperkt is, en al eens gaat vervelen. Zeker in de ingetogen nummers als “Ghost Lights” of “Brooklyn” slaagt hij er niet in ietwat emotionele lading mee te geven; dan is “Where I Live” sterker; Lemoine probeert niet meer dan zijn stem aankan, en de muzikanten rond hem houden zich ook heen.

Dat de frontman in het dagelijkse leven ook cameraman en videoclipregisseur is, laat zich zien in de verbluffende visuele aanpak van de set. Met een projectiescherm en een dozijn smalle lichtzuilen weet hij song na song een knap scenebeeld te scheppen dat de sfeer versterkt. Al moet hij niet overdrijven: de zoveelste keer beelden van een kathedraal wijzen vooral op grootheidswaanzin, en een uit zijn eigen voegen barstend “Stabat Mater” — de titel alleen al — versterken de megalomane indruk. Dat Lemoine zich een volksmenner zonder schroom toont, helpt ook niet.

Dieptepunt is “Volcano”; waarin Lemoine de song lijkt te zijn vergeten en zijn band dus maar loos laat gaan in sambaritmes zonder borsten, maar met opjuttende kreten. Het lijkt niet meer dan een excuus om het publiek eens goed te laten meespringen. Neen, dan liever de sterke melodieën van “I Love You” of “Conquest Of Spaces” waarin al het percussieve geweld tenminste een functie heeft en het grote gebaar betekenis krijgt.

Woodkid zit op een interessant spoor, maar heeft de juiste balans nog niet helemaal te pakken. Hoe visueel verbluffend ook, hoe meeslepend de drumritmes ook waren, altijd bleef er die afstand. Pas als Lemoine die weet te overbruggen, door ook songs te schrijven die je rechtstreeks in de onderbuik treffen, zal hij echt raak treffen. Zolang het echter alleen vorm en gebaar blijft, blijft het echter bij “op zijn best hoogst boeiend”.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 + 17 =