Dead Neanderthals :: Polaris

Op een paar jaar tijd kon je het Nijmeegse duo Dead Neanderthals zien evolueren van snoeiharde, om zich heen schoppende jazzpunk, via iets wat we gemakshalve grinddrones noemen tot iets dat omschreven kan worden als… free jazz. Alhoewel: het is niet zozeer een evolutie van een mindere uitlaatklep naar een betere, maar een verschuiving van interesses, waarbij het toch merkwaardig is hoe snel ze hun draai gevonden hebben binnen de geïmproviseerde muziek waar ze hiervoor omheen zeilden.

Otto (sax) en René (drums) doen het deze keer dus niet met het korte vlamwerk (op het compacte “Yamatsuka Eye” na), de gemodificeerde baritonsax die vervolgens onder tonnen effecten bedolven wordt, of die razende drumpartijen, maar keren terug naar het naakte duowerk. Tenorsax vs. drums. Geen effecten, geen elektrische decibels en niets om achter te gaan schuilen (al zorgde noisegoeroe Lasse Marhaug wel voor de mastering). Enerzijds hun minst extreme release, want een pak minder volumineus en gewelddadig dan het voorgaande, maar tegelijkertijd degene waar de liefhebbers van het oude werk misschien wel de tanden op zullen stukbijten. Nog meer dan op de vorige EP laat Dead Neanderthals de comfort zone achter zich.

Met die vroege geluidsterreur die herinnerde aan Naked City en Zu, en aansloot bij volk als Super Seaweed Sex Scandal en Cactus Truck, zat je nog met een been in de rock-‘n-rolltraditie. Jazzhammer/Stormansgalskap benaderde het de avant-garde, maar wel op een manier zodat het kameleonduo zijn voorliefde voor extreme metal erin kwijt kon. Zomaar overschakelen op free jazz, een traditie die vanuit een compleet andere hoek ontstond, lijkt een wat bruuske stap. Zouden ze ermee weggeraken?

De mannen en vrouwen van de free jazz hebben er doorgaans immers carrières van lang experimenteren op zitten. Hedendaagse kanonnen van het geïmproviseerde geweld hebben met vallen en opstaan geleerd wat de uitdagingen, methodes en valkuilen van de muziek zijn. Het sax/drums-duo heeft een lange geschiedenis, via Coltrane/Ali, Brötzmann/Bennink, Vandermark/Nilssen-Love, Irabagon/Pride, en bij ons met o.m. Giovanni Barcella en Jeroen Van Herzeele. Je hoort soms bij deze twee dat ze die enorme bagage of achtergrond niet altijd hebben, maar dat wordt gecompenseerd door slimme dosering en bandeloze energie.

Het is niet de monsterkracht van Brötzmann of het doodsgebries van Gustafsson, maar Otto weet ook op die tenor behoorlijk uit te halen, doorgaans met korte, spontaan eruit gulpende bewegingen en knap ingezette herhalingen die voor een duidelijke dynamiek zorgen. Het is dan ook goed dat het duo zich in vijf van de zes stukken beperkt tot een lengte van 5-6 minuten. Daardoor gaat dit krachtig plaatje van een krap half uurtje ook niet vervelen en blijft de spanning erin. Er wordt hier en daar wel wat gas teruggenomen, zoals in het lange kalme tussenstuk van “Knot” en met het aftastende gegier, gefleem en gescheur in afsluiter “Yolk”, maar de punkenergie stuwt het zootje duidelijk nog vooruit.

Net zoals Otto niet de instrumentbeheersing van heel wat van z’n freejazzcollega’s heeft, zo mist het spel van de drummer ook het intuïtieve meesterschap, de polyritmische waanzin en controle over de klankkleur van een Nilssen-Love (om het te houden bij een muzikant die ook niet vies is van wat extremisme), maar ook dat wordt aardig gecompenseerd met spel dat de invloed van de extreme genres verraadt. Dat merk je aan de abrupte uitbarstingen, het occasionele gehamer en de naar de voorgrond geschoven basdrum. Maar geen mens die bij deze twee ook in blues en soul gedrenkte improvisaties zou verwachten. Titels als “Neck-AIDS”, “The Pit” en “Plissken” (dat moet wel een verwijzing naar Escape From New York zijn) spreken voor zich.

Polaris is geen freejazzmeesterwerk, maar is wel het bewijs dat deze twee meer in hun mars hebben dan sommigen in het verleden misschien vermoedden. Het bewijst ook dat er niks mis is met een parcours dat voortdurend bijgestuurd wordt, zolang je er de overtuiging, integriteit en bagage voor in huis hebt. Met Polaris slaagt Dead Neanderthals er misschien wel in om zijn achterban de wereld van de vrije improvisatie binnen te rijven, want het is dat soort plaat: je gaat erdoor willen op zoek gaan, die grenzen verder willen aftasten. En wat kan daar nu mis mee zijn? “FUCK conventions and FUCK expectations” schreven ze onlangs zelf op hun website. Zolang het dit soort spul oplevert valt er niks te klagen. Go, Dead Neanderthals, go!

Het album kan via deze link beluisterd en besteld worden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

een × 2 =