David Bowie :: The Next Day

Of hoe David de marketeer zorgt voor de rehabilitatie van David de muzikant.

In de jaren zeventig was elke plaat en metamorfose van Bowie meteen een kluit aarde op de doodskist van al zijn copycats. De volgende twee decennia was elke plaat voor steeds meer fans en pers een kluit aarde op zijn eigen relevantie. Het is dan ook niet denkbeeldig dat Bowie “Fuck it, bekijk het maar” moet gedacht hebben nadat zijn laatste twee platen, Heathen en Reality, onterecht koeltjes ontvangen waren. Meer nog dan een lolly in het oog en een hartfalen, moet een soort gekrenkt eergevoel die tien jaar in de woestijn hebben ingeleid. De personages van Bowie definieerden een decennium, maar de trendsetter was in de jaren tachtig en negentig een trendvolger geworden. En in de prille 21ste eeuw gewoon wars van trends. En daar bleef hij, oneerlijk genoeg, op afgerekend worden.

Bowie op z’n best was al de rest steeds een stap voor. Die eerste schopsteek van z’n vergeetput zou hij zelf wel in de aarde planten. En zo geschiedde. Bowie verdween op een manier die naadloos aansloot bij zijn carrière: mysterieus, een einde met drie puntjes. En dan was er 8 januari 2013. Op één dag tijd zette Bowie een van de grootste evoluties sinds zijn verdwijnen, de social media met al hun getwitter en gekwetter, naar zijn hand. Was hij één van de eerste artiesten die de impact van het internet juist inschatte, omarmde en echt gebruikte, dan bespeelt hij nu Facebook, Twitter en iTunes en hun gebruikers meesterlijk als een poppenspeler. Als niemand tevoren koppelt hij (weer) zijn handelsmerk, mysterie, aan commercie. Muzikaal grensverleggend zijn zit er niet meer in, als marketeer daarentegen kan dit tellen. En dat door iets te gebruiken wat ongeveer tegelijk met hem verdween uit de wereld: stilte.

Bowie moet zijn pret momenteel niet op kunnen nu de pers, tien jaar na hun schouderophalen, over hun eigen superlatieven en sterren uitglijden om The Next Day als het grootste mirakel sinds het Nieuwe Testament aan te halen — er ongetwijfeld zelf een “Ho maar, zo goed is het nu ook weer niet, jongens” aan toevoegend. Want dat is het ’m net. Was The Next Day twee jaar na Reality uitgekomen, dan was het weer een fikse kluit aarde op zijn legacy geweest. Het is een uitstekende Bowie, maar bovenal nauw aansluitend bij de toon en het niveau van de twee voorgangers — Reality op kop. Maak voor de sport eens deze denkoefening: wat als “Where Are We Now?” drie jaar na het verguisde …Hours was vooropgestuurd? Juist, ja.

Nu werd de bloedmooie voorbode na tien jaar stilte – dan pas weet een mens immers wat hij gemist heeft – onthaald als een “return to form”, een rehabilitatie van Bowies gouden periode, de voorbode van pakweg zijn Time Out Of Mind of American Recordings. Het gehijg werd versterkt door de cover: een wit vlak als een post it op de meest iconische hoes van z’n meest iconische plaat. Al kon er op het witte vlak evengoed iets als “Move on you pricks, I did too” staan, gericht aan al wie zijn nieuwe werk blijft afwegen aan zijn roaring seventies. Natuurlijk zijn die echo’s legio: door Bowie zelf gespeelde synths eisen net als in Berlijn een belangrijke rol op en blazers snuiven al eens hun lijntjes mee net als ten tijde van The Thin White Duke of Young Americans. Maar enkel “You Feel So Lonely You Could Die” leunt echt opzichtig tegen “Five Years” aan, met zwierige orkestratie, grootse melodieën, halve parlando en bovenal een coda met de identieke ritmesectie. Het maakt van The Next Day een potente plaat met de wortels in het verleden, maar bovenal met de beide benen stevig in het nu.

Een gretige plaat, die wederom grossiert in warme afstandelijkheid, verrassend urgent en fel met gierende gitaren die geblust worden door prachtige melodieën en volle arrangementen, soms op het randje van te volgepakt. De fantastische, zich steeds mooier ontvouwende single “The Stars (Are Out Tonight)” is daar een perfect voorbeeld van. Het past naadloos bij het beste werk van Bowie dat paradeert op de dunne koord tussen subtiliteit en bombast. En het is met zijn bezadigde en gepassioneerde snedigheid tegelijk de typische Bowie van deze eeuw. De stem heeft aan kracht ingeboet, maar hij wil op het gros van de plaat ongeforceerd het tegendeel laten blijken door zijn hele vocale klankenpalet van de voorbije veertig jaar uit de kast te halen.

Het openingskwart van de plaat is indrukwekkend, met de vier eerste nummers die als hongerige honden na tien jaar uit een kennel razen. Maar waarom metaforen gebruiken als Bowie zelf de best denkbare referentiepunten heeft geschreven. Zo valt het titel- en openingsnummer binnen als “The Beauty And The Beast” van op Heroes, met een refrein dat Bowie uw gezicht inblaft als een diamond dog. “Dirty Boys” lijkt de (gezapigere) funky rol van “Golden Years” als tweede nummer op Station To Station te spelen – de titel lijkt daar trouwens in typische Bowiehumor op te zinspelen. De twee singles kent u al, “Love Is Lost” (een van de beste Bowienummers van de afgelopen dertig jaar, punt) imponeert met een dwingende synth die de impact van Low fêteert. De jankende gitaar in “Valentine’s Day” vervult dan weer een rol zoals in “Always Crashing The Same Car”, een nummer dat trouwens naadloos op Bowies drie laatste platen zou kunnen staan. Maar hoort u er vooral zelf in wat u wilt.

Zo baadt The Next Day ruim twintig minuten in de flow van een meesterwerk, maar de tweede plaathelft stelt die euforie bij naar realistischere proporties. “If You Can See Me” knipoogt naar Outside, wat hij met “I Took A Trip On A Gemini’s Spaceship” al beter deed op Heathen. “I’d Rather Be High” (een tekstueel sterke Bowie als rasverteller), “Boss Of Me” (Bowie op z’n meligst) en “Dancing Out In Space” (Bowie op zijn luchtigst, alsof Jagger weer elk moment de song kan binnenshaken) zijn drie sterke, maar inwisselbare nummers die pakweg zeven jaar geleden flauw onthaald zouden zijn. Bowie lijkt zich echter kapot te amuseren en dat werkt nooit minder dan aanstekelijk, zo ook op “How Does The Grass Grow” dat aan het einde bij The Velvet Underground inhaakt. Met de pretentieloze stamper “You Set The World On Fire” lijkt hij Tin Machine in de ereronde van z’n 24ste plaat te willen betrekken. Eindigen gebeurt bloedstollend met het dramatische, dreigende “Heat”, weer op de mistige grens tussen fictie en zelfreflectie. “I tell myself that I don’t know who I am” luidt het samen met “I am a seer, but I am a liar” als een mantra. Huiveringwekkend mooi als dit klonk Bowie ook lang voor zijn verbanning niet. Een einde met drie puntjes.

Tekstueel is dit sowieso de boeiendste plaat van Bowie sinds, tja, lang. In de muzikaal luchtigste nummers verhaalt Bowie over een tienersoldaat die kapot gaat aan paranoia (“I’d Rather Be High”) en massamoordenaars (“Valentine’s Day”). Bovendien zit de plaat vol verwijzingen naar dood, lijken (“My body left to rot in a hollow tree”, “I can see you as a corpse hanging from a beam”) en vergankelijkheid. “The Stars (Are Out Tonight)” is een schizofrene observatie van het ijle sterrendom van op de zijlijn waar Bowie zich geparkeerd had (“We will never be rid of these stars / But I hope they live forever”). En de mooiste liefdesverklaring is met stip “Girl you move like water” uit “Boss Of Me”. Tekstueel stuitert The Next Day alle kanten uit.

Meer dan een muzikale comeback, is dit de comeback van het fenomeen Bowie. Na 10 jaar een plaat uitbrengen die acht jaar geleden op onverschilligheid zou zijn onthaald en zelfs z’n muzikale testament wat zou hebben ondergraven, maar die nu zorgt voor een haast historische rehabilitatie is — even het woord wikken — ongezien. Dat dat eerherstel gebeurt met een plaat waarop Bowie als nooit tevoren gewoon zichzelf is, moet zoet smaken. Voortaan mag hij ongestraft zijn leeftijd laten horen. Missie geslaagd. “Time may change me / But I can’t trace time” zong hij in “Changes”. Met The Next Day heeft Bowie door een meesterlijk spel met perceptie de tijd alvast weer ingehaald.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

14 − 3 =