The Hobbit :: An Unexpected Journey

Zelfs de meest doorwinterde LOTR-fans zullen moeten toegeven dat er veel redenen zijn om sceptisch te doen over dit eerste deel van The Hobbit. Het feit dat het slechts een eerste deel is, bijvoorbeeld: mijn exemplaar van J.R.R. Tolkiens debuutroman telt welgeteld 351 pagina’s. Het is moeilijk om in Jacksons driedeling daarvan géén weinig subtiele marketingstrategie te zien, zeker als je bedenkt dat elk boek afzonderlijk van de The Lord of the Rings-trilogie meer dan 400 pagina’s telt, en dat het 940-pagina’s tellende Anna Karenina recent nog in één film van 129 minuten werd gegoten. Daarbij kwam nog de behoorlijk lange production limbo waar de film in verzeild geraakte, waarbij regisseurs als Sam Raimi en Guillermo Del Toro werden aangetrokken en vervolgens al dan niet zelf bedankten, waarna de regie toch weer in Jacksons handen belandde – wat ons na het angstaanjagend slechte King Kong tot onrust stemde. Jackson zou immers in een moeilijke evenwichtsoefening moeten slagen, waarbij hij enerzijds de sfeer van het bronmateriaal intact moest houden maar de film anderzijds qua toon ook moest laten aansluiten bij zijn succesvolle trilogie van zo’n tien jaar terug. En dat is dansen op een slappe koord, zo blijkt.

The Hobbit vertelt over de perikelen die Bilbo Baggins (Martin Freeman/Ian Holm), een Hobbit die zoals zijn soortgenoten van weinig avontuur moet weten, meemaakt op zijn tocht met dertien Dwergen. Het gezelschap wordt aangevoerd door de werkelijk onvoorstelbaar irritante Thorin Oakenshield (Richard Armitage), en Bilbo is er door toedoen van de oude tovenaar Gandalf (Ian McKellen) bij geronseld. Einddoel is The Lonely Mountain, waar de Dwergen van plan zijn om hun verloren koninkrijk én hun goud te heroveren op de Draak Smaug, maar niet vooraleer ze van het ene avontuur in het andere zijn gerold – gaande van een dinertje met drie trollen tot een overnachting in Rivendell en een achtbaanrit met een hoop ongemanierde Goblins.

Ik overdrijf het komische aspect van de plot misschien een klein beetje, maar dat neemt niet weg dat de roman The Hobbit een behoorlijk grappig, zelfs licht verhaaltje vertelt, zeker in vergelijking met de epische en allegorische strijd tussen goed en kwaad die het centrale thema vormt van The Lord of the Rings. Ook al was Beowulf een belangrijke inspiratiebron voor de mythische wereld die Tolkien creëerde, in The Hobbit moet je even vaak aan sprookjes denken – de komische trollen en de klassieke draak, die hier niet half zo donker overkomt als pakweg de beesten waar de Nazgûl op vliegen, zijn maar twee voorbeelden – en de vertelstijl zou je met een beetje goede wil zelfs aan iets als Gulliver’s Travels kunnen linken. The Hobbit is dan ook het beste en zeker het vlotst leesbare en vermakelijkste boek dat uit Tolkiens pen is voortgekomen.

In een schriftelijke of woordelijke vertelling is er echter meer ruimte voor komische overdrijving dan in een filmische enscenering, en Jacksons poging om de ondertoon van het boek intact te houden, draait dan ook vaak op een farce uit. Zeker de eerste akte, waarin de dertien Dwergen op bezoek komen in Bilbo’s befaamde hole in the ground, schaam je je nogal voor wat er getoond wordt. Die Dwergen zijn ten eerste een ongelooflijk enerverend gezelschap, bestaande uit hemeltergend karikaturale figuren, van de uit de Efteling weggelopen Balin (Ken Stott) tot de totaal misplaatste en overdreven clichématige gulzigaard Bombur (Stephen Hunter). De niet veel betere uitzonderingen hierop zijn Kili (Aidan Turner), die een Legolasrol op zich moet nemen (hij schiet met pijlen en heeft het type gezichtje dat meisjes naar de bioscoop moet lokken) en de jammer genoeg al even vlakke, norse Thorin, die als de teleurgestelde idealist dan weer een Boromirrol op zich neemt (maar niet over hetzelfde talent als Sean Bean beschikt om daar mee om te gaan).

Martin Freeman – qua uiterlijk een perfect gecaste Hobbit – probeert zich hier zo goed en zo kwaad mogelijk staand te houden, en dat lukt hem aardig, hoewel ook hij even verzuipt wanneer Jackson zich aan foute slapstick waagt en die Dwergen een musicalnummer beginnen, met choreografie en al. Behoorlijk gênante boel dus, die in het verdere verloop van de film gelukkig nooit meer dat niveau van plaatsvervangende schaamte bereikt, hoewel ook de Great Goblin (Barry Humphries) en de daarop volgende, van Tintin afgekeken ontsnapping niet zo goed werken als Jackson in gedachten had. Om van de langverwachte maar uiteindelijk faliekant uitdraaiende entree van de ridicule Radagast, nochtans een fantastische figuur uit The Fellowship (het boek, niet de film), nog maar te zwijgen.

Zoals al bleek uit de karakters van Kili en Thorin, speelt Jackson vaak in op een gevoel van herkenning ten opzichte van LOTR. Ook dat werkt niet altijd even goed, gezien de nogal geforceerde rollen die Galadriel (Cate Blanchett) en Saruman (Christopher Lee) krijgen en de opzichtige inleiding waarbij Ian Holm en Elijah Wood hun opwachting maken. Ian McKellen is echter wel weer zijn goede, oude zelf, en Andy Serkis is wederom fantastisch als Gollum: de bepalende Riddles In The Dark-sequens is overigens veruit de beste scène uit de hele film, en brengt herinneringen naar boven aan de topmomenten van The Fellowship of The Ring, iets wat ook geldt voor de schimmige entree van The Necromancer (een nog niet verschenen Benedict Cumberbatch). De setting, enthousiast benadrukt in zwierige kraanshots, is al even betrouwbaar: Nieuw-Zeeland is nog steeds het perfecte Midden-Aarde, bewoond door bijwijlen schitterend vormgegeven wezens als de Wargs, die de beste vechtscènes voor hun rekening nemen.

Dat brengt ons tenslotte bij de technische paragraaf die onvermijdelijk is bij Peter Jacksonfilms, en zeker bij The Hobbit: dit is immers de allereerste langspeelfilm die aan 48 frames per seconde is gedraaid (tegenover de sinds de jaren ’20 gebruikte standaard van 24 fps). Er is veel om te doen geweest, maar eerlijk is eerlijk: je merkt er weinig van, tenzij in snelle, actiegeladen scènes. Ik had wel de indruk dat het bijzonder goed uitpakt voor de beruchte derde dimensie: 3D werkte zelden zo goed als in The Hobbit, en na een tijdje vergeet je zelfs dat je naar een 3D-film zit te kijken. Wel jammer is dat Jackson meer dan ooit voor de CGI-aanpak heeft gekozen, en dat is niet altijd fraai: sommige rotsen zien eruit alsof ze van plastiek waren, die adelaars lijken uit een digitaal ei te zijn geboren, en de computergegenereerde Orcs zien er nogal saai uit in vergelijking met de gedetailleerde maskers en tonnen make-up die ze in The Lord of the Rings op hun facie kregen.

Enfin, als iemand die de LOTR-trilogie echt wel kan waarderen, zij het niet meer met hetzelfde fanatieke vuur als ettelijke jaren geleden, vind ik het bijzonder moeilijk om echt enthousiast te zijn over The Hobbit. Toegegeven, de film gaat vlotjes voorbij, ondanks totaal overbodige scènes als die met de vechtende stenen reuzen, er zitten een paar heel leuke momenten in – de ontmoeting tussen Gandalf en Bilbo is er nog zo eentje – en ik heb mij niet vaak verveeld. Wat ik wel vaak heb gedaan, is mij geërgerd, iets wat er gezien de grote rol die die rotdwergen spelen in de volgende delen niet op zal verbeteren. Maar toch: de scènes in Mirkwood en de sequens met Beorn moeten nog komen, en bijwijlen toont Jackson toch dat het niveau van The Lord of the Rings er nog in zit. Laten we hopen dat Bilbo gelijk heeft wanneer hij naar The Lonely Mountain staart en voor zich uit mijmert: I think the worst part lies behind us.

PS: Op het moment van schrijven voel ik mij ongelooflijk moe en heb ik barstende koppijn. Ik hoop dat dat door een sluimerende griep komt en niet door het gebruik van 3D of het 48 fps-systeem, want dat zou ik oprecht jammer vinden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

18 − 9 =