The Master

De wachtrij van enthousiaste filmfans slingert de hoek om in de New Yorkse East Village. Het is een beeld dat we kennen uit “die goede oude tijd”, maar waarnaar sindsdien de meeste bioscoopuitbaters slechts hebben kunnen smachten. Weinig hedendaagse filmmakers houden er zo’n jaloersmakende status op na als Paul Thomas Anderson, wiens nieuwste film, The Master, de oorzaak is van al deze commotie. De voormalige protégé van de Amerikaanse grootmeester Robert Altman bewandelt al sinds zijn eersteling, het heerlijk snedige Hard Eight, op bijzonder comfortabele wijze dunne scheidingslijn tussen het massapubliek en de cinefiele crowd. Meneer Anderson is er met de jaren niet bepaald opgewekter van geworden, maar met de grimmigheid groeide ook zijn beheersing van het medium. Met iedere film werden zowel zijn achterban als zijn tegenstanders groter in getal en sterker in emotie. Het is dat mijnenveld van liefde en nijd, bewondering en bedrog dat de basis vormt van The Master. “Voel je vaak afgunst?”, vraagt Philip Seymour Hoffmans personage met een twinkeling in zijn ogen aan een afgepeigerde Joaquin Phoenix. Een grijns, gevolgd door een frons: “Je bedoelt jaloezie?”

Na diep de mannelijke psyche van een quixotische eenling ingedoken te zijn in zijn Americana-epos There Will Be Blood, richt Anderson nu zijn filmische derde oog op twee mannen en hun vriendschap – een band die de Don Quichote-thematiek zo ver doorvoert dat de heren allebei zowel de onvermoeibare fanaticus als elkaars Sancho Panza worden. Het wordt nauwelijks onder stoelen of banken gestoken dat een van deze twee mannen, de bombastische Lancaster Dodd (Hoffman), wel eens gebaseerd zou kunnen zijn op L. Ron Hubbard, de schrijver, zelfverklaarde wetenschapper en charlatan op wie Tom Cruise en vele (Amerikaanse) anderen hun hardnekkige Scientology-overtuigingen hebben gebaseerd. De ander, Freddie Quell (Phoenix), is een verloren schaap in wolfskleren, een professioneel drankorgel en wandelende vaandeldrager voor iedereen die simpele antwoorden nodig heeft in zijn leven maar het verdomt om eerst een vraag te stellen.

We schrijven het einde van de Tweede Wereldoorlog, en het begin van een nationale desillusie in de Verenigde Staten. Het land heeft gezegevierd, maar blijkt tegelijkertijd ontheemd, uit zijn lood geslagen, en rusteloos. Freddie is de belichaming van dit alles: hij is onlangs teruggestuurd van het front, en zijn herintreding in een “vreedzame” maatschappij verloopt allesbehalve vlekkeloos. Via dronken ruzies, seksuele driften en een uit de hand gelopen experiment met zelfgemaakte drank belandt de zelfdestructieve oerkracht op een plezierjacht met Lancaster Dodd, ook wel “The Master” genoemd, en zijn familie en volgelingen, allen verenigd onder een opmerkelijk dramatische verzamelnaam: The Cause.

Wat volgt wordt mooi samengevat in een ijzersterke scène waarin Lancasters “methode” met ijzeren hand wordt toegepast op de verloren Freddie. Dit psychologisch schaakspel tussen de heren Phoenix en Seymour Hoffman is een piepklein meesterwerkje van pakweg zeven minuten dat, spijtig genoeg, het gras wegmaait voor de voeten van de rest van de film. De scène is zodanig overdonderend dat de film er nooit helemaal meer van herstelt. Ondanks kleine maar opvallend effectieve bijdragen van onder meer Amy Adams (die toch wel iedere film van net dat beetje meer voorziet) en David Lynch’ muze Laura Dern, blijft de rest van de film toch angstvallig steken onder de schim van die magistrale sleutelscène.

Waar The Master vanaf dat moment onder te lijden heeft is metaalmoeheid. De personages, zo sterk opgetrokken uit eigenzinnige details, psychoses en grootheidswaanzin, vallen ineens in herhaling. Dezelfde bombastische verklaringen komen keer op keer langs, Phoenix’ scheefgetrokken mond begint plots de aandacht op zichzelf te richten, en langzaam maar zeker druipt de zo zorgvuldig opgebouwde emotie weg uit de film. Andersons visuele flair en precisie weet nog altijd te boeien, maar waar hij in de eerste drie kwartier nog flink zijn vuist om je adamsappel gebald hield, staat hij je vervolgens vrij snel wél toe om gewoon even rustig te slikken. Die gemakzucht sloop er bij zijn vorige, het onvergetelijke There Will Be Blood, nooit in – er was geen moment dat we niet het zweet op ons voorhoofd voelden parelen omdat ofwel een oliepomp, ofwel Daniel Day-Lewis op elk moment zou kunnen ontploffen.

The Master lijkt veel van die diepgravende grimmigheid in zich te dragen, maar aan het eind van de rit voelt het toch opmerkelijk als much ado about nothing. Hoe prachtig Andersons composities ook zijn – en de film werd zelfs op zeldzaam 70mm-film gedraaid, met opmerkelijk bevreemdende en haarscherpe resultaten – ze slagen er op den duur nauwelijks meer in om te verhullen dat het verhaal louter om een lege (Phoenix) en luidruchtige (Hoffman) druktemaker gaat. Het is alsof Anderson en de zijnen ergens, diep achter alle dramatiek en Ella Fitzgeralds Get Thee Behind Me Satan, een grap met het publiek uithalen waar we nooit de punchline helemaal van begrijpen.

Maar toch: als het werkt, dan werkt het ook belachelijk goed, en zo veel beter dan het gros van wat we dit jaar voorgeschoteld gekregen hebben. De openingssequens is prachtig; Jonny Greenwoods soundtrack is opnieuw onvergetelijk; de eerdergenoemde sleutelscène waarin Lancaster de ziel van Freddie blootlegt, is hartverscheurend; en opnieuw geeft Anderson alle ruimte aan zijn blonde goedgevulde leading man om een weerloze ziel eventjes de huid op bijzonder creatieve wijze vol te schelden. De tussen farce en opera heen en weer schommelende toon en de uiteindelijke leegte van het verhaal komen de emotionele impact niet ten goede – maar ach, hetzelfde kan immers gezegd worden van dat hele Scientology-gedoe.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

veertien − tien =