Lambchop :: ”Angst voor uitputting”

Onlangs opende de AB een heuse huiskamer: een ruimte die gebruikt zal worden om albums in hun geheel te beluisteren, maar net zo goed om interviews te laten plaatsvinden. Een van de eerste gasten die in de kringloopmeubels plaatsneemt, is Kurt Wagner.

Geen mens die beter geschikt is om in het jaren vijftig meubilair plaats te nemen dan de Lambchop-frontman. Wagner zit onderuitgezakt in een van de retro-sofa’s en krijgt daarmee, nog meer dan op het podium, een uitstraling van oude opa, waarbij het bijna onbegrijpelijk lijkt dat hij op interviewreis door Europa gestuurd wordt.

“Nog enkele dagen en dan ga ik naar huis”, vertelt Wagner. “Om daar nog meer interviews te geven. En ja, soms ben ik het beu om over mijn muziek te praten. Het is eigenlijk vermoeiend. Elke gesprekspartner heeft wel een andere benadering, maar altijd is er dat bindende element: die nieuwe plaat. Dus kom je uiteindelijk altijd op een variatie van hetzelfde gesprek.”
“Ach, het is oké hoor, het is niet dat alle gesprekken altijd helemaal hetzelfde zijn”, voegt Wagner er haast verontschuldigend aan toe. “Het is gewoon iets te veel zelfanalyse. Dat is hard. Een herhaalde variant daarop, waar zo’n interviewdagen op neerkomen, is een vorm van marteling.”

enola: Het is duidelijk wérk. Hoe vat je je muziek na al die jaren op? Ook als werk?
Wagner: “Voor mij is muziek werk, zij het goed werk. En je kan dat op verschillende manieren benaderen. Ik bewonder mensen die, zoals Nick Cave, elke dag naar een kantoor gaan om nummers te schrijven. Zelf heb ik een tijdlang geprobeerd elke dag een song te schrijven. Of je nu een songschrijver bent, ambachtsman of schilder: het moet een deel van je dagelijkse routine worden om intensief met je werk bezig te zijn. Is dat dan werk? Goh, soms wel.”

enola: Als je elke dag een song schrijft, wanneer weet je dan dat het nummer waaraan je die dag werkt, levensvatbaar is?
Wagner: “Dat was een deel van de oefening: maak elke dag een nummer, het maakt niet uit of het goed of slecht is. Het moet gewoon een song zijn, met begin, midden en einde. Je schrijft het, evalueert het en uiteindelijk eindig je met een massa songs, waarvan het merendeel niet deugt, maar waar hier en daar eentje tussen zit die echt oké is.”
“Met de nieuwe plaat heb ik exact het tegenovergestelde gedaan, namelijk de nummers op me af laten komen wanneer zij daar zin in hebben, en lange tijd aan de songs blijven schaven.”

enola: Dat wachten op een nummer, hoe letterlijk bedoel je dat? Want je kan wachten, maar wat als de song niet komt?
Wagner: “Klopt. (haalt de schouders op) Tot nu toe blijven ze komen. Ik vroeg me af of het zou werken, en gelukkig deed het dat. En misschien wel een beetje op dezelfde manier als bij Mister Cave, die op kantoor vast duizend en een andere dingen doet, wanneer hij songs aan het maken is.”

enola: Wordt het, eens je al een pak nummers gemaakt hebt, moeilijker om songs te schrijven? Songs die niet al door jezelf geschreven zijn?
Wagner: “Ergens wel. Je komt af en toe op een nummer dat lijkt op iets dat je al eens geschreven hebt. Wanneer dat gebeurt, realiseer je je dat je een soort genre op jezelf geworden bent. En dan ga je er mee aan de slag, want het lijkt misschien op iets, maar is tegelijk toch iets anders.”
“Ik hou enorm van het idee je tijd te nemen, het ligt me wel en ik heb er spijt van dat ik die manier van werken niet veel eerder ontdekt heb. Vroeger was ik altijd gehaast om een nummer af te werken en op de sofa te gaan liggen, terwijl ik nu ontdekt heb hoe leuk het is je te laten meenemen naar waar de song je brengt.”

enola: Is dat een gevolg van het ouder worden? Het werktempo van jonge bands ligt doorgaans een pak hoger dan dat van artiesten die al een tijdje meedraaien.
Wagner: “Absoluut. Dat hoort erbij. Je kan zelfs spreken van uitputting. Uitputting van een idee. Een manier van werken die op raakt. Maar ook fysieke uitputting na jarenlang die manier van werken aanhouden. Of van het toeren. We houden er heel strakke toerschema’s op na. Ik zou graag wat vaker een rustdag in lassen, maar dat is economisch niet te verantwoorden. Gelukkig wordt zo’n tournee pas écht vermoeiend na een week of vier. Al geloof ik dat we nu eentje op komst hebben van zes weken.”
“Het leuke dat daar tegenover staat, is dat je een hoop bekende gezichten terug ziet. Het is gewoon ontroerend dat er mensen zijn die al sinds de begindagen naar onze concerten komen en nog steeds opdagen. Al is het goed dat ook een jonger publiek zijn weg naar onze shows vindt. Het geeft een goed gevoel om verschillende leeftijden door elkaar te zien op dezelfde plaats.”
“Nuja, het komt en gaat, naargelang je muziek opgepikt wordt of niet. Mijn grote hoop is dat er vroeg of laat een renaissance komt en Lambchop herontdekt wordt.” (lacht niet)
“Mijn grootste angst dan weer, is dat ik de mogelijkheden uitgeput heb.”

enola: Bent u bang dat u op een dag geen songs meer zal kunnen schrijven?

Wagner: “Ja. Dat is een angst die door mijn hoofd spookt. En waarmee je meer druk op jezelf legt dan nodig is. Want het gaat niet noodzakelijk gebeuren. Maar als het gebeurt, weet je dan dat het zover is? ‘Ging het schrijven gisteren niet een fractie vlotter dan vandaag?’”

enola:Is dat waarom u najaar 2010 toerde met Is A Woman, een oudere plaat?
Wagner: “Het was vooral een nuttige tournee. Je kan zoiets enkel doen na een zekere tijd. Dat is eigenlijk het enige goede aan het voorbij vliegen van de tijd: er ontstaat een afstand om naar je werk te kijken. Dat terugkijken was nuttig in dit geval: het spelen van Is A Woman heeft mee de klank bepaald van de nummers die nu uitkomen. Toentertijd probeerden we met een grote band een stil geluid te vinden, een idee dat we nu opnieuw opgepikt hebben, maar dan met een kleinere band. Daardoor valt er meer ruimte in de muziek, de groove is bijna onzichtbaar.”

enola: Verklaart dat waarom Mr. M, ondanks dat het niet meer dan elf nummers bevat, als een stevige rit aanvoelt, een hele donkere rit zelfs?
Wagner: “Om eerlijk te zijn, ik vraag me af hoe donker je de plaat nog gevonden zou hebben als je ze gewoon beluisterd had zonder meer. Dus niet met het oog op een interview, niet met allerhande achtergrondinformatie, maar gewoon de songs, niet meer, niet minder.”
“Want ik zou Mr. M als een hoopvolle plaat omschrijven. Ze begint misschien wat donker, maar over het algemeen genomen, heeft het album een licht gevoel, lijkt me.”
“Mijn grootste fout is dat ik ooit mijn mond open gedaan heb over wat de achtergrond is van enkele van de nummers (de dood van Wagners vriend Vic Chesnutt, jvb). Want die informatie is bijna niet te achterhalen als je naar de plaat luistert.”
“Ach, ik had beter moeten weten. Toen we lang geleden ons allereerste persbericht rondstuurden, waarschuwde een vriend me nog: ‘Denk goed na,’ zei hij me, ‘want alles wat je ooit zo de wereld in stuurt, zal voor eeuwig blijven rondzweven’. Ik heb hem genegeerd, onszelf in onze bio een countryband genoemd en rara van welk label we niet verlost raken.”
“Nuja, we hébben ondertussen een country-project (Kort, met Cortney Tidwell), gewoon om te kunnen zeggen: dìt is nu country. (lacht) Goh, het publiek ziet ons niet noodzakelijk als country. Een deel vindt ons pop, een ander deel indie. Een beetje zoals de band zelf: een familie met veel gezichten. En dat toeren met die familie kan wel vermoeiend zijn, zoals ik daarnet zei, maar het is ook leuk samen op de baan te zijn. Je kàn elke avond muziek spelen en je voelt de band elke avond sterker worden. Hoe verder een toer vordert, hoe leuker het wordt. En ja, je bent met een flink aantal mensen onderweg en zoals in elke familie vallen er al eens woorden, maar ik ben verbaasd over hoe weinig dat voorvalt. Want zolang ik muziek kan spelen met mensen die vrienden zijn, ga ik niet klagen.”

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

veertien + 15 =