Roosbeef :: ”Nee aan muzikaal racisme”

Op drie jaar tijd groeide Roosbeef “van meisje aan de piano met band” uit tot een hecht combo. Het logische gevolg is dat Omdat ik dat wil de opvolger van haar drie jaar oude debuut, een consistentere en stevigere plaat is geworden. “Het mocht allemaal wat meer ballen hebben”, zo vertrouwde Roos Rebergen ons toe.

enola: Met Omdat ik dat wil slaan jullie een nieuwe weg in. Ben je na je debuut deze nummers meer met een publiek in het achterhoofd beginnen te schrijven?
Rebergen: ”Helemaal niet. Wat wél veranderd is, is dat ik wat ouder ben geworden. En we hebben in de drie jaar natuurlijk meer samengespeeld en zo een meer eigen geluid ontwikkeld. Wel ben ik bij het schrijven vertrokken van het idee dat het anders moest zijn. Ten tijde van het debuut componeerde ik alle nummers achter de piano en gaf die quasi-afgewerkte stukken dan aan de anderen. Dat wou ik nu niet meer.”

enola: Wat was dan de creatieve inbreng van de band precies?

Rebergen: ”Ik kwam met kleine stukjes en losse ideeën aandraven waar de band dan zijn ding mee kon doen. Het schrijven van de nummers was dus een lang proces, samen met de andere groepsleden. Het duurde zo heel wat langer om tot afgewerkte songs te komen, en het was veel ingewikkelder. Aan “Niet uitmaken“ bijvoorbeeld is eindeloos lang geschaafd, dat nummer heeft heel veel versies gekend. Er kwam werkelijk geen einde aan, en op een gegeven moment was het frisse er ook wat af. Maar ik ben blij dat het toch nog goed is gekomen. Het zijn ook één voor één heel getalenteerde muzikanten, dus het zou stom zijn geen gebruik van hen te maken. (lachje). Het is ook altijd het liedje dat uiteindelijk wint, ongeacht of dat nu van mij komt of niet.”

enola: Met Tom Pintens en Wannes Cappelle telt de band twee Belgen in de rangen. Hoe ben je bij hen terechtgekomen en wat is hun invloed op de muziek?

Rebergen: ”In het begin al speelden we wel eens als voorprogramma van Het Zesde Metaal en zo leerden we Wannes kennen. Die was toen al een kennis van Tom Pintens en die raakte in ons geïnteresseerd. Vijf, zes jaar geleden moesten we tijdens het Bevrijdingsfestival in Zwolle voor iemand een halfuurtje invallen op het hoofdpodium. Tom speelde daar toen ook met Zita Swoon. Hij vond ons leuk en vroeg of hij onze producer mocht zijn. Ik wist niet eens wat dat was, een producer (lacht). Maar hij producete dus ons debuut en Tom is echt iemand die mijn vage aanwijzingen, waar niemand iets mee kan, wél perfect aanvoelt. Hij heeft trouwens een heel goede smaak, dus hij weet mijn ideeën om te zetten in een goede sound.”

enola: “Al de liedjes op de radio lijken heel veel op elkaar, maar ik zing alles mee, vind de gekste dingen mooi”, zong je destijds in “Onder Invloed”. Met welke bands voel je affiniteit? Wat zijn jouw invloeden?

Rebergen: ”Wat Nederlandstalige pop betreft, vind ik Filip Kowlier en Het Zesde Metaal heel goed. Ook sommige dingen van Raymond van het Groenewoud vind ik geweldig. Als we het over Engelstalige rock hebben, is Wilco steeds een inspiratiebron.”

enola: Het platenlabel Excelsior biedt zowel aan Roosbeef als aan Spinvis onderdak. Voel je enig verwantschap met wat Erik de Jong doet?

Rebergen: ”Ik voel bijna met iedereen wel een bepaalde verwantschap (lachje). Ik vind ons niet op elkaar lijken, maar vind wat hij doet met muziek mooi. Ik houd wel niet zo van zijn cryptische teksten. Voor mij mag het wat duidelijker zijn, ik ben dan ook de Jongs grootste fan niet.”

enola: Op de EP De speeldoos die je in 2009 met Torre Florim van De Staat maakte, zijn zowel minimalistische drones als Captain Beefheart-achtige experimenten te horen. Kan zoiets op een plaat van Roosbeef?

Rebergen: ”Samenwerken met Torre was een ervaring, hij is zo’n getalenteerd muzikant. En het soort muziek dat op dat album staat moet ook wel kunnen op een plaat van Roosbeef, ja. Blijven openstaan voor andere dingen is immers heel belangrijk. Kijk: die synthdrone op de EP, “Oudjaar”, is van mijn hand. En zo schrijf ik eigenlijk al mijn nummers, ik ben technisch heel beperkt. Ik beschouw mezelf ook niet als een echte pianiste. Goed kunnen spelen vind ik ook niet zo belangrijk of leuk; de piano is voor mij eerder gereedschap om mijn nummers te brengen. Maar als ik eerlijk ben dan ben ik vooral te lui om technisch beter te worden (lacht). Heel veel oefenen ligt me niet zo. Maar anderzijds voel ik me door die beperking vrijer bij het componeren.”

enola: Hoe zie je de band muzikaal evolueren?

Rebergen: ”In het begin deden we maar wat. Niemand van ons is een geschoolde muzikant, we hebben gaandeweg samen onze instrumenten leren beheersen en zo zijn we tot dit geluid gekomen. Ik heb er dus echt geen zicht op hoe het verder gaat. Er liggen heel veel mogelijkheden open. Ik zou het ook saai vinden om nu al te weten hoe ons volgende album zal klinken.”

enola: Ben je je bewust van de tegenstrijdige reacties die Roosbeef uitlokt?
Rebergen: ”Ik word daar steeds weer op gewezen. Sommige DJ’s in Nederland willen onze muziek niet meer draaien omdat ze te hevige reacties oproept, scheldpartijen incluis. Het verbaast me wel, ik vind niet dat we extreme muziek maken. Al snap ik wel dat onze muziek er tussenuit springt, maar dat ligt meer aan de andere muziek die op de radio gedraaid wordt.”(lachje)

enola: Speel je graag live? Is dat iets waar je hebt van moeten leren genieten?

Rebergen: ”Mijn vader maakte straattheater en stond altijd op het podium. Ik ben er dus mee opgegroeid en heb het altijd een heel mooi iets gevonden. Ik was vroeger ook een fan van Patsy Cline. Als jong meisje keek ik vol bewondering naar haar films; vooral die scènes waarin ze in een kroeg vol mannen zich moest bewijzen, vond ik fantastisch. Op een podium staan is dus een heel groot deel van mij en naarmate we als band groeiden, voelde het live spelen alsmaar vrijer en logischer aan.”

enola: Voel je een bepaalde band met het publiek?

Rebergen: ”Ik ben heel blij dat er een publiek is. Dat er mensen van divers pluimage naar de concerten komen, beschouw ik als het grootste compliment. Bewust voor één specifiek publiek schrijven is trouwens niet eerlijk, dat vind ik een soort muzikaal racisme. En dat dat publiek dan ook echt luistert en de cd koopt maakt me echt gelukkig. Maar verder ben ik daar niet mee bezig. En al helemaal niet met fanclubs en zo. Het gaat niet om mijn persoontje, maar om de muziek die we als band brengen.”

enola: Wat hoop je dat jouw muziek bij het publiek teweegbrengt?
Rebergen: ”Als de mensen een mooie avond hebben ben ik al blij, dieper hoeft dat voor mij niet noodzakelijk te gaan.”

enola: Het album heeft ook een mooie hoes. Is die tekening een verwijzing naar het nummer “Nachtauto”? Wat betekent dat beeld voor jou?

Rebergen: ”Die nachtauto is eigenlijk een metafoor voor ergens in meestappen zonder dat je precies weet waar het gaat eindigen, en voelen dat het wel goed komt. Het beeld staat voor spannende, avontuurlijke tijden die je een gevoel van vrijheid geven. Zoals een vluchtige romance bijvoorbeeld.”

enola: Je wordt wel eens een tekstdichteres genoemd. Beschouw je jouw teksten als poëzie?

Rebergen: ”Ik word vaak gevraagd om op literaire avonden met mijn piano het muzikale intermezzo te verzorgen en dat vind ik een hele eer. Maar wat ik schrijf, beschouw ik echt wel als songteksten en niet als gedichten. De melodie van de nummers en de teksten horen bij elkaar en versterken elkaar. Een poëziebundel uitbrengen….daar ben ik echt niet aan toe.”

enola: Ik interpreteerde een tekstflard als “Iedereen is ziek ziek, hou je hart maar vast, we zijn graag op onszelf maar liever niet alleen” uit het nummer “Pulpo” als maatschappijkritiek. Ook in de song “Twijfelaar“ meende ik dat in het zinnetje “Doe met je vrienden iets leuks en geloof de reclame” te horen? Is dat ook zo bedoeld?
Rebergen: ””Pulpo” gaat in de eerste plaats over bindingsangst. Over een hele intense maar tegelijkertijd ook hele moeilijke liefdesaffaire. Maar ik vind jouw interpretatie ook wel leuk! (lacht) Dat zinnetje uit “Twijfelaar” hekelt wel de oppervlakkigheid in onze huidige maatschappij. Net als een zinnetje als “Ik denk aan jou, maar vooral aan mezelf” gaat over het egoïsme dat er tegenwoordig heerst en waaraan iedereen zich bezondigt.”

enola: Je maakte het nummer ”In het Bos” voor de “Te Gek”-compilatie en de teksten op het album De Speeldoos zijn door verstandelijk gehandicapten gemaakt. Van waar die interesse voor de maatschappelijk zwakkeren?
Rebergen: ”Ik heb drie maanden naast een psychiatrische instelling gewoond die in een bos gelegen is. Dat was echt wel een ervaring en het nummer gaat er dan ook over hoe ik me daarbij voelde. Mijn ouders hebben ook veel in de psychiatrie gewerkt. Als het geld op was, hadden zij baantjes in de zorgsector en brachten dan verhalen mee naar huis. Er zijn ook zoveel mensen aan wie iets schort, kijk in een stad maar eens om je heen. Er is niet één manier van zijn zoals sommigen je graag voorhouden, en het leven is niet altijd even mooi als we wel zouden willen.”

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

11 + 17 =