Soft Metals :: Soft Metals

De combinatie van koppeltjes en elektronische popmuziek heeft al mooie resultaten opgeleverd. Denk maar aan Moloko en Lamb. En wie weet kunnen we in de toekomst ook het Portlandse Soft Metals tot dit selecte clubje rekenen.

Want met dit eerste volwaardige album bewijzen lovebirds Patricia Hall en Ian Hicks heel wat potentieel te hebben… dat ze helaas niet helemaal verzilveren. Daarvoor klinkt dit arty electroclash duo te tweeslachtig: het katapulteert de erfenis van Kraftwerk de eenentwintigste eeuw in en tegelijkertijd schurkt het zich behaaglijk aan tegen de humbug van het in de vroege jaren tachtig populaire genre Italo Disco.

Zo moesten we bij het horen van de synthpartijen in “Psychic Driving“ en “Eyes Closed” zowaar denken aan Sabrina’s “Boys Boys Boys”. In schril contrast met zoveel eighties kitsch staan de dromerig gezongen stream of consciousness -teksten van Hall. Op een vreemde manier wérkt die mix; we kunnen ons voorstellen dat na een hele, broeierig hete dag lang filerijden op de Autoroute Du Soleil de twee bovengenoemde nummers een louterend — en dus verdere accidenten vermijdend — effect hebben.

“The Cold World Melts” had met zijn hakkelende baslijn een door een hitsige en op vampierenbloed beluste troep weerwolven gespeelde cover van Anne Clarks “Sleeper in Metropolis“ kunnen zijn, ware het niet dat de synths zo uit de Italo Disco-draak “Love for Russia” weggeplukt lijken. Niettemin, straffe song. Dat wilden we ook over “Celestial Call“ zeggen, maar we kwamen er net op tijd achter dat Kraftwerk met “Trans Europe Express” enkele decennia geleden al krák hetzelfde nummer maakte. Origineel is het dus allemaal niet, net zomin als dat deze plaat constant van een even hoog niveau is; zo zijn “Always” en “Hold My Breath” ronduit saai.

Wel opnieuw sterk is “Pain” dat met een zenuwachtige 808 ritme-track en Halls onthecht aandoende zang een sterk voorbeeld van retro-futuristisch klinkende electropop is. Beelden van een live-uitvoering van dat nummer in Holocene (een van Portlands hipste concertzalen) tonen echter waarom Hicks en Hall nog niet op hetzelfde niveau performen als het hierboven al vernoemde en ondertussen ter ziele gegane Moloko. Terwijl de knoppenman zich verstopt achter een batterij elektronica, zien we de zangeres als een kruising tussen Siouxsie Sioux en een emo-kostschoolmeisje op het in donkerroze licht badende podium schuchter rondhuppelen. Róisín Murphy she ain’t.

De eerder reeds vermelde ambiguïteit in de muziek op Soft Metals komt misschien nog het sterkst tot uiting bij het bekijken van de cover wanneer het duo de puike afsluiter “In Throes” inzet. Het slepende ritme en de als roestige spijkers erin geramde woooshhhs en bleeps maken er een uiterst dreigende instrumental van die schel afsteekt tegen de door de hoesfoto gesuggereerde intimiteit tussen twee minnaars.

Soft Metals neemt de luisteraar mee op een trip doorheen de bijna halve eeuw oude geschiedenis van Europese elektronische muziek en doet dat met wisselend succes. Een sof is dit titelloze full length album niet geworden; daarvoor kent het te veel sterke momenten.
Iets zegt ons ook dat er in dit duo een veel beter album schuilt. Maar vooraleer het zover is, zijn er nog heel wat werkpunten voor Hicks en Hall.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zes + negen =