Brett Anderson :: 5 oktober 2011, STUK

Het is makkelijk om schamper te doen over ouder wordende popsterren die het na de scheiding met hun groepje solo proberen; voorbeelden te over om je gelijk te halen. Er zijn er echter die de uitzondering op de regel vormen, en van die solocarrière iets maken dat bijna oprechter aanvoelt. Dat hij tot die laatste categorie behoort, bewees Brett Anderson met een stevig optreden in STUK.

Dat hij in een kleine zaal als STUK staat, is nochtans een teken aan de wand. Anderson is al lang geen hot property meer, en zelfs de reünie van Suede afgelopen jaar was er eentje voor de die hard fans. Dat is onterecht, moet ons als fan van het hart. Het zij zo, en ook de zanger laat het niet aan zijn hart komen. Anderhalf jaar geleden liet hij al weten dat het hem niet echt kon schelen om niet langer in arena’s op te treden, en nauwelijks drie nummers ver geloven we hem al zonder enige reserve.

Dit is immers een Anderson in vuur en vlam. Zelfs “Unsung” — op plaat winters weemoedig — is meteen een potig begin. Het laat horen dat de frontman na twee ingetogen platen inderdaad opnieuw zin in rock heeft. “Thin Men Dancing” bevestig dat meteen; aanstekelijk en pittig. Het is brutale rock-‘n-roll die de zweterige atmosfeer van de Labozaal van STUK past als een handschoen.

Vanavond staat dan ook volledig in het teken van Andersons laatste plaat, Black Rainbows, die op een handvol dagen spontaan in de studio werd geschreven. Uitstapjes naar eerder werk zijn zeldzaam en die nummers in kwestie worden stevig verbouwd. Plots blijkt het op plaat (het puike Slow Attack) zo elegische “Wheatfields” een knoestige rocker, dat meer dan één echo van Suede laat horen. We menen zelfs even het riffje van “To The Birds” te herkennen.

Dat heeft natuurlijk veel te maken met de aanwezigheid van gitarist Leopold Ross; het soort gitaarheld dat Suede ooit met Bernard Butler in huis had, maar verloor. Hij blinkt vanavond uit met gitaarlickjes die niet moeten onderdoen voor deze die Anderson-met-groep ooit groot maakte. De gitaar van het euforische hoogtepunt “Brittle Heart” ligt dichter tegen de vroege Suede dan iets sinds 1993 ooit heeft gedaan. Maar Anderson is geen nostalgicus voor het verleden. Dit optreden staat in het teken van een herontdekte liefde voor de pure rock, en dat is te merken aan het venijnige “Exiles”.

Niet dat er geen dipjes zijn. Halverwege het optreden maakt Anderson de verkeerde keuzes in zijn oeuvre en zeurt hij een eind weg in halve trages die zijn stem geen recht doen. Het vraagt even doorbijten, maar een snijdend “In The House Of Numbers” zet het concert opnieuw op de rails: het is snedige poprock, met hier even een wel erg aan U2 schatplichtige gitaar. “Julian Eyes” — op plaat een ingetogen ballad — heeft maar binnen te koppen, met genoeg heupswing om Elvis te doen blozen.

De conclusie laat zichzelf schrijven; je kunt de man uit Suede halen, maar Suede niet uit de man. Anderson blijft het soort frontman dat elk groepje met ambitie zich droomt, en blijft ook als songschrijver imponeren. Wie denkt dat Damon Albarn de enige is die Britpop met waardigheid heeft overleefd, heeft oogkleppen op.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 + achttien =