BackBack / Progressive Patriots :: 5 oktober 2011, Vooruit

Het concertseizoen in de Vooruit komt wat ons betreft pas écht op gang zodra de Balzaal (met z’n donkere houtafwerking, weelderige gordijnen en wat zompige sound nog altijd het hart van het gebouw) z’n deuren opent. Gisteren was het weer prijs met twee bands die even eigenzinnig rond het traditionele beeld van jazz slalommen, zij het met gemengde resultaten.

Het trio Backback, dat een thuismatch speelde, hoort eigenlijk verwezen te worden naar vochtige kelders en betonnen punkbarakken waar z’n gespierde sound en nonchalante attitude volledig tot z’n recht komt. Na een paar jaar samenspelen is het zo ver gekomen dat de naam synoniem staat voor power en groove, al viel daar tijdens dit concert niet altijd even veel van te merken. De gespierde fond, met de diep ronkende baritonsax van Marc de Maeseneer voorop, was er, dat wel, maar aanvankelijk leek kracht vervangen door een wat logge aanpak die de vonk net niet deed overslaan. Nochtans hebben de drie door hun verschillende afkomst en speelstijlen alles in huis om indruk te maken.

Bij gitarist Filip Wauters denk je het ene moment aan Link Wray, maar even later onvermijdelijk aan krasgitaristen als Marc Ribot of Nels Cline. Er zit twang in z’n spel, maar ook hoekigheid en melodie. Drummer Giovanni Barcella, die vooral opvalt binnen freejazzcontext, is dan weer de stoorzender van dienst, een rusteloze ziel die zelfs de meest eenvoudige, rockgeoriënteerde ritmes niet kan laten voor wat ze zijn. De Maeseneers geronk doet onvermijdelijk wat denken aan Dana Colley (Morphine) en retrogepomp. Hij loopt daarbij het risico om te hervallen in makkelijke gimmicks, al werd daar een stokje voor gestoken door een verrassende cover van Sonny Sharrocks “Promises Kept” (uit Ask The Ages, misschien wel de beste jazzplaat uit de jaren negentig), waarin de saxofonist behoorlijk straf van leer trok.

Het moment van de overrompeling leek gekomen, maar dan beslisten de drie om toch weer terug te schakelen, met tragere, broeierige stukken die roots en noir probeerden te verenigen. Opnieuw een lekker drassige sound, maar na drie kwartier begon ook de monotonie wat toe te slaan. Gelukkig was er nog dat slotduo, een zweterig stuk met een ontwrichte funkgroove en een rappe, vurige afsluiter om alsnog op een sterke noot te eindigen. Backback stond bij momenten sterk te spelen, maar we konden ons niet van de indruk ontdoen dat een kortere set en grotere nadruk op gebalde nummers het geheel een niveau hoger zou hebben getild.

Het internationale gezelschap Progressive Patriots had op geen beter moment kunnen komen. Het kwintet rond de naar Frankrijk uitweken Deense gitarist Hasse Poulsen, en dat verder bestaat uit Fransozen Stéphane Payen en Guillaume Orti (beide altsax!), de Deense bassist Henrik Simonsen en de Amerikaanse drummer Tom Rainey, haalde z’n naam bij een boek van Billy Bragg dat handelt over nationalisme, identiteit en diversiteit. Poulsen, die zich duidelijk bewust was van z’n uitstekende timing, voegde er vervolgens aan toe dat de composities ook vernoemd werden naar hoofdstukken uit Braggs boek.

Die stukken varieerden erg sterk qua aanpak en lengte (het toepasselijk getitelde “Opener” was al voorbij voor je het besefte, terwijl hoogtepunt “Children Of Migrants” uitgerekt werd tot epische proporties). De twee altsaxen vochten doorgaans een simultane strijd uit, met hechte, catchy thema’s en soms bijzonder geslaagde harmonische vrijages. Zowel Payen als Orti toonden zich als erg melodische muzikanten, die soms uitpakten met ronduit gracieuze solo’s, maar ook als experimentalisten die zich durven overgeven aan bezwerende klankexperimenten. Dat zorgde soms voor rijke contrasten, zoals tussen Orti’s melancholische “V”, waarvoor zelfs Poulsen de strijkstrok hanteerde, en een veel weerbarstiger “Close To My Country”, dat vol gesputter en ongedurige kontendraaierij zat.

Poulsen toonde ook nog eens dat hij, net als bij Das Kapital, van veel markten thuis is, door onverwacht folkachtige passages in te lassen, gekrabbel à la Derek Bailey uit z’n gitaar te persen (“Take Your Own Time”) of de Hendrixiaanse toer op te gaan, zoals in “They Might Think I Was Soft”, met z’n gierende snarenbuigingen. Al even opmerkelijk was de rol van Rainey. Is die doorgaans in contexten te zien waarbij vrijheid en onregelmatigheid voorop staan, dan liet hij ook horen een aardig potje te kunnen swingen en een meester te zijn in het creëren van subtiele pulsen en uit de mouw schudden van anarchistische heksentoeren. Het blijft indrukwekkend om de man aan het werk te zien.

Hoewel enkele elementen steeds bleven terugkeren en het concert ondanks z’n stekelige momenten een patent had op plechtige en melancholische passages, was dit vooral een concert dat, het boek indachtig, veel invloeden en ideeën samenbracht, wat soms leidde tot behoorlijk straffe resultaten. Het is dan maar te hopen dat de boodschap niet in dovemansoren terechtgekomen is.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vier × vijf =