Beirut :: The Rip Tide

Pompeii, 2011
Konkurrent

Een vijftal jaar geleden palmde Zach Condon ons
moeiteloos in met ‘Gulag Orkestar‘, een
debuut dat leentjebuur speelde bij de Balkanfolk en uitzinnige
trompetpunk van Goran Bregovic. Vervolgens lieten we ons gewillig
inpakken door de dramatische chansonaanpak op opvolger ‘The Flying Club Cup‘.
Beirut schopte het moeiteloos tot publiekslieveling en veroverde in
één ruk door de harten van recensenten die het woord ‘wonderkind’
al eens in de mond durfden te nemen. Zo ver zouden wij nu ook weer
niet gaan – we zijn de wel erg middelmatige EP ‘March of the
Zapotec/Holland
‘ nog niet vergeten – maar het valt niet te
ontkennen dat de groep in het huidige muzieklandschap een vrij
uniek geluid weet voort te brengen. Niet slecht voor een heerschap
dat zijn invloeden bijeensprokkelde in het lappendeken dat Europa
heet.

De transcontinentale drift lijkt intussen geluwd en
heeft plaats gemaakt voor broodnodige rust en structuur in de vorm
van een echtgenote, een vaste stek in Brooklyn en een Beagle die
het plaatje vervolledigt. Een dissectie van de heimat deed Condon
bovendien ontdekken dat daar met de nodige fantasie ook mooie
verhalen te rapen vallen. In ‘The Rip Tide’ schotelt hij ons de
reeds gekende bestanddelen voor: zijn rijke, honingzoete bariton in
combinatie met verrukkelijke arrangementen van accordeon,
koperblazers, piano en akoestische gitaren. Het resultaat is weinig
verrassend, maar daarom niet minder verbluffend.

Naar goede gewoonte vertelt het merendeel van de
nummers een verhaal dat zich afspeelt ‘op locatie’. In ‘Santa Fe’
rekent de zanger af met zijn geboortestad in New Mexico. Aan de
basis liggen een hoop gemengde gevoelens en een elektronicamelodie
die soms op een iets te goedkope manier uit de synthesizer wordt
geplonkt – het enige minpuntje aan een verder buitengewoon mooie
song. Single ‘East Harlem’ is dan weer een eenvoudig, maar warm
nummer dat Condon schreef op zijn zeventiende. “Another rose wilts
in East Harlem / Uptown downtown, a thousand miles between us”
klinkt het weemoedig, terwijl in de vertelstijl en de cadens van
het nummer de invloed van Motownklassiekers te horen valt.

‘Goshen’, een ontroerende pianoballade, verrast op
een wijze die we niet van Beirut verwachten, namelijk door een
ijzingwekkende fragiliteit aan de dag te leggen. Condon begint heel
ingetogen, met enkel zijn stem en de piano, maar wordt beetje bij
beetje bijgestaan door staatplechtig tromgeroffel en een
wondermooie Franse hoorn die op het juiste moment aanzwelt om een
maximum aan effect te bekomen. Het bewijst alleen maar wat een
onmiskenbaar goede liedjesschrijver deze man wel niet is.

In een vorige fase van Beiruts carrière was de
luisteraar ongetwijfeld al talloze malen opgeschrikt door
feestelijke hoempa en trompetgeschal. Niet hier. De nummers glijden
sierlijk en bijna onopgemerkt voorbij. Zelfs in nummers als
‘Payne’s Bay’ en ‘Port of Call’, waar het fanfaregevoel iets
prominenter aanwezig is, blijven de koperblazers voorzichtig op de
achtergrond, alsof ze bang zijn om de atmosfeer te verstoren.

‘The Rip Tide’ is een warm en nostalgisch album
geworden met nummers die ingetogener zijn en een – we krijgen het
met moeite over de lippen – volwassen geluid etaleren. Net
zoals de trompetten iets minder heftig schallen, klinkt de
samenzang van de mannenstemmen op de achtergrond niet meer alsof ze
deel uitmaakt van een uitzinnig volksfeest. Het maakt dat alles
ongedwongen, maar daarom niet minder fantasieloos klinkt. Zach
Condon lijkt de idyllische mythe van de Europese bohemien eindelijk
te hebben afgeschud en voor het eerst krijgen we iemand te horen
die zijn eigen verhalen interessant genoeg vindt om te vertellen.
“Left the vagabond a trail of stones / To find my way home” klinkt
het toepasselijk in ‘The Vagabond’. Het lijkt er inderdaad op dat
Beirut zijn weg gevonden heeft.

http://beirutband.com/
http://www.myspace.com/beruit

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twee − 2 =