Howl

Onverfilmbare boeken bestaan niet. Af en toe wordt
er wel over gesproken, wanneer er een roman uitkomt die niet
afhankelijk is van plot of dialogen, maar zelfs die worden vroeg of
laat, zij het met wisselend succes, aan pellicule toevertrouwd. ‘De
Naam van de Roos’. ‘Elementaire Deeltjes’. ‘Het Parfum.’ Goed of
slecht, ze zijn verfilmd. Maar dat is allemaal proza, en hoezeer de
schrijvers ervan ook wilden weerstaan aan een filmisch of lineair
karakter, uiteindelijk bleef het allemaal te herleiden tot een
basisplot, die als startpunt kon dienen voor een film. Poëzie
daarentegen, dat is al iets anders. Biopics van dichters hebben we
al wel gehad – ‘Sylvia’ is het meest voor de hand liggende
voorbeeld, een ietwat pathetische portrettering van Sylvia Plath
waarmee Gwyneth Paltrow zonder veel succes lonkte naar een tweede
Oscar – maar verfilmingen van gedichten? Begin er maar eens aan.
‘Howl’, geregisseerd door Rob Epstein en Jeffrey Friedman, is
wellicht de beste poging tot nu toe. Het is een eigenaardig,
eindeloos fascinerend amalgaam van documentaire, biopic en
literaire interpretatie, samengebundeld in een enkele film. Of de
prent volledig succesvol is in wat hij probeert te bereiken, staat
open voor discussie, maar het is sowieso een opwindende,
stimulerende, gepassioneerde prent. En hey, wanneer een film passie
heeft, is het niet moeilijk om hem bepaalde tekortkomingen te
vergeven.

In 1955 schreef Allen Ginsberg, één van de leden
van de beat generation, het epische gedicht ‘Howl’, dat in
grote lijnen ging over de desillusie van de post-WO II-generatie,
en over Ginsbergs eigen ervaringen als een homoseksueel in een tijd
toen dat nog illegaal was in alle Amerikaanse staten. Los van zijn
literaire waarde, stond het werk vol met stoute woorden – wat dacht
u van zinssneden als “who let themselves be fucked in the ass
by saintly motorcyclists, and screamed with joy”? –
wat er toe
leidde dat er in 1957 een proces werd aangespannen in San Francisco
tegen de uitgever ervan, Lawrence Ferlinghetti, wegens vermeende
“obsceniteit”. Dat proces werd destijds gezien als een mijlpaal in
het conflict tussen artistieke vrijheid en de heersende moraliteit.
De uitspraak ervan zou aangeven in welke mate Amerikaanse
kunstenaars het recht hadden om te choqueren, om de goegemeente uit
te dagen.

Dat verhaal wordt in de film vorm gegeven via drie
verschillende narratieve lijnen. Enerzijds is er simpelweg het
verhaal van het proces tegen Ferlinghetti, waarin we zien hoe zowel
de aanklager (David Strathairn) als de advocaat voor de verdediging
(Jon Hamm) literatuurexperts aan het woord laten om de artistieke
waarde van ‘Howl’ te bediscussiëren. De futiliteit daarvan wordt al
snel duidelijk: je kan een gedicht goed of slecht vinden, maar
neemt dat ook maar iets weg van het recht van de dichter om het te
schrijven en te publiceren? Wie beslist wat choquerend is en wat
niet? Het hele proces wordt gevoerd op de basis van termen die
onmogelijk objectief te bepalen zijn, zodat het na een tijdje
weinig meer wordt dan een intellectueel steekspel, waarin niemand
ooit kan hopen definitief zijn gelijk te bewijzen. Als de aanklager
zegt dat hij het gedicht “bullshit” vindt, dan is dat zijn
goed recht. Maar daarom moet het nog niet verboden worden.

Een tweede lijn is een terugblik op het verleden
van Allen Ginsberg zelf. We zien James Franco in een uitstekende
rol als de dichter, die in een interview vertelt over zijn
schrijfproces, en over zijn verleden, voor zover dat relevant is
voor ‘Howl’. In zwart-wit flashback-segmenten zien we zijn relatie
met roemruchte figuren als Neal Cassady en Jack Kerouac, naargelang
Ginsberg de details daarover uit de doeken doet in dat interview.
En het derde spoor van de film leidt ons pas écht tot het hart van
de zaak: we horen Franco het gedicht ‘Howl’ reciteren, terwijl we
op het scherm een animatie zien, gebaseerd op de tekst. Drie
verhaallijnen, drie filmstijlen: kleur voor het proces, zwart-wit
voor de biografische segmenten en animatie voor het gedicht.

Dat alles is eigenlijk weinig meer dan een
zorgvuldig geconstrueerde, bijna academische analyse van een
poëtisch werk, via het medium film. Wie ooit een paper heeft moeten
schrijven (of lezen) over een literair werk, zal de aanpak
herkennen: je schetst de biografie van de auteur en je legt
verbanden tussen het leven van de schrijver en zijn werk (de
flashbacks). Je doet aan close reading van de tekst (de
animatiesegmenten). En tenslotte situeer je het literaire werk in
zijn historische context (het proces). Dat is wat Epstein en
Friedman hier doen. Ze willen geen dramatische, biografische film
maken, maar wel het gedicht ‘Howl’ doorgronden, door het vanuit die
drie standpunten te benaderen.

Levert dat alles een succesvolle film op? Best wel.
De animatiescènes doen sporadisch denken aan die uit ‘Pink Floyd’s
The Wall’, in de zin dat ze een quasi-ongrijpbare tekst illustreren
met opvallende, expressionistische beelden. Die aanpak is boeiend
en levert een aantal schitterende beelden op, hoewel ze inherent
ook grote beperkingen heeft. Zoals één van de getuigen op het
proces zegt: “Je kan poëzie niet vertalen naar proza, daarom is het
ook poëzie.” Net zo kan je poëzie niet vertalen naar beelden,
zonder iets te verliezen. De regisseurs pinnen in die segmenten het
gedicht als het ware vast op één interpretatie, één visualisering –
dat is onvermijdelijk, maar ergens ook jammer.

De processcènes zijn conventioneler, maar bezorgen
de film wel zijn drijfkracht. De makers gaan niet voor opgeblazen
dramatiek: geen huilende getuigenissen, geen advocaten die tegen
elkaar beginnen schreeuwen, geen pompeuze monologen. Dit is een
zakelijke, bijna bureaucratisch aandoende gelegenheid – op de één
of andere manier komt dat realistischer over dan de gebruikelijke
courtroom drama-clichés. Solide acteerprestaties van
Strathairn, Hamm en Bob Balaban als de rechter, geven een stevige
ruggengraat aan de film. Maar het is, onvermijdelijk, James Franco
die met de prent gaat lopen. Zijn interviewscènes lijken
bedrieglijk eenvoudig, maar komen uiteindelijk neer op lange
monologen, die volstrekt overtuigend, naturalistisch gespeeld
worden. Wie overigens archiefbeelden van de echte Allen Ginsberg
bekijkt, zal merken dat hij zich de stem en de fysieke maniertjes
knap eigen heeft gemaakt.

Wie Ginsberg wil leren kennen als mens, zal
misschien bedrogen uitkomen – de biografische info wordt beperkt
tot hetgeen relevant is om het gedicht ‘Howl’ te begrijpen. Dit is
zeer nadrukkelijk niet ‘Walk the Line’ of ‘Sylvia’, maar
wel een knap gestructureerd filmexperiment, een poging om literaire
analyse en narratief drama met elkaar te verzoenen. En dat alles is
niet eens zo zwaarwichtig als je zou denken: ‘Howl’ bevat humor,
hij is meeslepend en levert, vooropgesteld dat het onderwerp je op
z’n minst een beetje interesseert, een interessant tijdsbeeld van
conservatief Amerika anno 1955. Nee, hij is niet perfect. Maar een
meer perfecte versie van deze film zou misschien minder boeiend
zijn geweest.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie + 3 =