Terrapin :: Terrapin

Het getuigt als jonge band van een flinke dosis lef om je groep naar een lied van de legendarische Syd Barrett te noemen. Toch is het Terrapin al lang vergeven: ze maakten immers een prima plaat. Bovendien beschikt de band over nog flink wat marge om door te groeien.

Je hoort een jonge band die nog volop aan het experimenteren is — op zoek naar een eigen geluid nemen we aan. Het ene ogenblik klinkt ze als een popband uit de jaren tachtig, het volgende doet denken aan een psychedelische band uit de sixties. Soms doen de songs van de band uit het Dendermondse denken aan Black Sabbath of Jefferson Airplane, dan weer aan Joy Division en nog even later aan een of andere synthesizerrockband — kiest u er zelf maar een uit, u kent ze waarschijnlijk beter dan ik. Op het eerste gehoor geeft Terrapin misschien de indruk een eendagsvlieg te zijn, maar wie de moeite neemt om wat beter te luisteren, ontdekt een erg beloftevolle band waar desalniettemin nog wat werk aan is.

Het kleinood begint met “Golden Sea” dat een intro heeft die bij een eerste beluistering meteen het ergste doet vermoeden. Even zijn we zelfs bang dat Terrapin een foute jaren-tachtig-rockband is. Maar de band blijkt de luisteraar meteen op het verkeerde been te hebben gezet. Want eenmaal het nummer echt losbarst, roept het herinneringen op aan het betere werk van Oceansize. “Universal Climax”, met meer dan zeven minuten het langste nummer op de plaat, lijkt wel een kruising tussen de metalriffs van Rammstein en de lang uitgesponnen gitaartapijten van een band als Hawkwind. “Windows Maverick” is het prijsbeest van deze plaat. Alles valt mooi samen: de combinatie van de druk jagende strofes met de spacy refreinen wérkt. Mochten we voor de radio werken, zouden we dit zeker draaien. “Oh computer make me fly, take me high in the sky”, zingt Robbert Mathys, die trouwens over een dijk van een sonoor keelgeluid beschikt — denk aan dat van Paul Banks van Interpol maar dan met wat meer of die van Caleb Followill van Kings Of Leon met wat minder soul erin. Hij zingt over ruimteschepen, de planeet Mars, computers, intergalactische oorlogen, microgolven en nog een trits andere futuristische onderwerpen. Een interesse als een ander, toch?

Het meest experimentele nummer op de plaat is “The Phoenix”, dat drijft op een rollende drumpartij, zo een met veel toms erin. Dat gecombineerd met een subtiel orgel en een elektrische gitaar die afwisselend atmosferische klanktapijten in de achtergrond produceert en flink uithaalt om de woorden van Mathys kracht bij te zetten. “I know what they did. They put a microchip in my brain. Just to keep me away from the mainframe”, keelt hij krachtig. We zullen maar aannemen dat hij het niet over zichzelf heeft, zeker? “Interactive Physics”, aangedreven door een goede oude drone wordt mooi opgekleurd door een scheurende en heftig voortjakkerende klarinet. “Golden Aes”, dat net voorbij een minuut afklokt en een instrumentale epiloog vormt, is een instrumentale versie van “Golden Sea”.

De groep rond gitarist Gorik Bogaerts en toetsenist Jeroen Callaert, die met hun samenspel van gitaar en synthesizer zowat de muzikale ruggengraat van de band vormen, is nog niet helemaal waar ze moet zijn. Je hoort aan alles dat ze nog niet helemaal tot wasdom gekomen is. Toch merk je ook dat ze goed op weg zijn een eigen sound en identiteit te vinden. Die hen trouwens wel eens ver zou kunnen brengen: verschillende van de zes songs op hun debuut hebben een hoog Afrekeninggehalte en dus het potentieel om een radiohit te worden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

15 − veertien =