Idioterne (The Idiots)







Na ‘Europa’ in 1991, nam Lars von Trier afscheid
van de extreem gekunstelde visuele stijl die hij tot dan toe had
gebruikt, om steeds verder de andere richting uit te gaan. Weg
waren de experimenten met back projection, de combinaties
van kleur en zwart-wit, de surrealistische settings en de
gestileerde voice-overs. In plaats daarvan besloot hij zichzelf
meer en meer te bevrijden van de techniek, door te kiezen voor ruw,
handgehouden camerawerk, naturalistische belichting en beschikbare
locaties. In ‘The Kingdom’ en ‘Breaking the Waves’ zag je hem
duidelijk in die richting evolueren, maar het was met ‘The Idiots’,
in 1998, dat hij elk streven naar formele “schoonheid” liet varen.
Het werd zijn enige Dogmafilm. Het Dogma ’95-manifest werd
opgesteld en ondertekend door von Trier zelf, samen met Thomas
Vinterberg, Kristian Levring en Søren Krågh-Jacobson, en
definieerde tien “kuisheidsregels” voor de cinema. Zo werd het
onder andere verboden om een statief te gebruiken, evenals
kunstmatige belichting, kostuums, rekwisieten of door de filmploeg
gecreëerde sets.

Wie de tekst van het manifest naleest, ziet dat de
schrijvers ervan nadrukkelijk tongue in cheek te werk
gingen: “Ik ben niet langer een kunstenaar. […] Mijn
uiteindelijke doel is om de waarheid uit mijn personages en
omstandigheden te verdrijven. Ik zweer dat te doen […] ten koste
van elke vorm van goede smaak en elke esthetische overweging.” Een
film moest dus niet langer “mooi” zijn, niet langer op zoek gaan
naar “waarheid” (nochtans bij uitstek de bestaansreden die
traditioneel gegeven wordt aan elke vorm van kunst) en eigenlijk op
geen enkel niveau nog pretenderen een kunstwerk te zijn. Een
dergelijk uitgangspunt ridiculiseert bij voorbaat al elke poging om
zo’n film te analyseren of gewoon serieus te nemen. Het
Dogma-manifest was een poging om filmmakers te bevrijden van de
beperkingen van techniek en de vereisten van een bepaalde stijl, en
in de praktijk zette het ook het filmjournaille een flinke neus,
door op voorhand al expliciet te verklaren: “Dit is geen kunst. Ik
heb niets met deze film te zeggen.” Blijft er natuurlijk wel het
punt dat je regisseurs nooit mag geloven over hun eigen films. En
Lars von Trier al zeker niet.

‘The Idiots’ was de tweede Dogmafilm, na Thomas
Vinterbergs ‘Festen’, en gaat over een commune aan jonge mensen uit
de bourgeoisie (één is een dokter, een ander kunstdocent en ga zo
maar door), die zich hebben teruggetrokken in een leegstaande
villa, ergens in een welgestelde buitenwijk van Kopenhagen. Ze
maken er een gewoonte van om de buurtbewoners te choqueren door
zich te gedragen als mentaal gehandicapten. Ze doen zelfs geleide
bezoeken aan fabrieken, waarbij ze zich zo idioot mogelijk
voordoen. Spastische bewegingen, kwijlen en – in een openbaar
zwembad – pronken met een erectie, het hoort er allemaal bij.
Stoffer (Jens Albinus) is de zelfverklaarde leider van de groep,
die steeds verder wil gaan met de “spastische” leefgemeenschap.
Maar langzaam maar zeker nemen de spanningen onder de groep toe –
de vraag is of de anderen wel mee kunnen en willen.

Op een oppervlakkig niveau gaat ‘The Idiots’ over
de reactie van de goegemeente op mentaal gehandicapten. De
“idioten” hebben zich uitgerekend gevestigd in een chique wijk,
waar men het niet begrepen heeft op mensen waar op de één of andere
manier iets aan mankeert. De villa is eigendom van de oom van
Stoffer. Stoffer wordt verondersteld de verkoop ervan te regelen,
maar telkens er iemand komt kijken, laat hij simpelweg zijn
vrienden opdraven als “de mentaal gehandicapten uit het gesticht
hier naast de deur”. De potentiële kopers weten niet hoe snel ze de
benen moeten nemen. Maar meer dan dat gaat het over de idioten
zelf, en de manier waarop zij zich verhouden tot de buitenwereld.
Hun leven is volledig gericht op het choqueren van de bourgeoisie
waar ze zelf toe behoren (dokters, leerkrachten en rijkeluiskindjes
als ze zijn) – en in die zin is het dus een doorgedreven vorm van
zelfwalging. In het echte leven horen ze zelf tot de gegoede
middenklasse die ze zo graag te kijk zetten. Ze ontsnappen aan
zichzelf door in dat huis te bivakkeren en zich voor te doen als
iets dat ze niet zijn. Op termijn is dat uiteraard onhoudbaar, en
één voor één haken de idioten dan ook af.

Dat punt wordt krachtig duidelijk gemaakt wanneer
plotseling de vader van één van hen voor de deur staat – hij
spreekt vaag over medicijnen die ze al lang niet meer genomen
heeft. Het meisje zelf begint te huilen, de anderen kijken verbaasd
toe. Ze wisten niets van medicijnen of eender welke problemen die
ze misschien ooit had. En waarom zouden ze dat ook geweten hebben?
Wie ze zijn in dat huis is immers niet wie ze zijn in de
buitenwereld. In dat opzicht kan je een parallel trekken met het
één jaar later uitgebrachte ‘Fight Club’, waarin burgermannetjes
ook een zelfdestructieve subcultuur opzetten om de maatschappij
waaruit ze voortkwamen een dikke fuck you toe te snauwen.
Alleen deden ze het daar met geweld en een groter budget.

Je zou het zelfs nog een niveau hoger kunnen tillen
en zeggen dat de hele film een doelbewuste poging is van Lars von
Trier om, net als zijn personages, de burgerij te schokken. Hij
last een orgiescène in, met enkele penetratieshots (weliswaar
gefilmd met stand-ins), en ook daarbuiten laat hij nauwelijks een
kans onbenut om zijn acteurs full frontal te laten gaan.
Die ietwat puberale drang om zijn publiek te provoceren is niet zo
heel verschillend van het genoegen dat de idioten er in scheppen de
buurtbewoners te jennen. En het was succesvol: tijdens de eerste
vertoning op het festival van Cannes maakte Brits criticus Mark
Kermode zich zodanig kwaad, dat hij rechtveerde en begon te
schreeuwen: “Il est merde!” (Ik veronderstel dat hij
bedoelde: “C’est de la merde”.) Kermode werd de zaal
uitgezet en heeft sindsdien nooit nog een positief woord over von
Trier te melden gehad.

‘The Idiots’ is dus absoluut een fascinerende film,
die doordachter te werk gaat dan de speels-ondeugende opzet van het
Dogma-manifest doet vermoeden. Samen met intense acteerprestaties
(Jens Albinus is subliem arrogant, Louise Mieritz ontroerend
breekbaar als het meeste gevoelige lid van de bende, Bodil
Jørgensen krachtig als het morele centrum van de film), zorgt dat
voor een unieke, soms frustrerende, soms hilarische en uiteindelijk
verrassend ontroerende ervaring. Een polariserende film, en samen
met ‘Antichrist’ von Triers meest extreme, maar wel één die dieper
graaft dan zijn provocaties doen uitschijnen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 + 14 =